Lode De Waele

‘Hoe pakken we de problemen in de kinderopvang het best aan?’

Lode De Waele Assistent professor aan de Utrecht School of Governance en lid van denktank Eleni

Onderzoeker Lode De Waele suggereert een aantal oplossingen voor de crisis in de kinderopvang.

Vandaag lijden heel wat sectoren onder een acuut personeelstekort. Er is onder meer een tekort aan leerkrachten, zorgkundigen, politiebeambten, douaniers en magistraten, hetgeen doet vermoeden dat er een structureel probleem is. Bovendien speelt deze situatie zich niet enkel af in België maar ook in buurlanden zoals Nederland, wat de complexiteit en omvang van het probleem nogmaals illustreert.

Uiteraard is de conjuncturele situatie op de arbeidsmarkt voor een groot stuk te wijten aan het feit dat de vraag naar arbeid substantieel groter is dan het aanbod, een krapte die door de vergrijzingsproblematiek enkel maar toeneemt. Dat betekent echter niet dat in bepaalde sectoren de vraag naar arbeid problematischer is dan in andere sectoren. Dat heeft te maken met ‘harde’ factoren zoals verloning, maar ook met meer ‘zachte’ factoren zoals de aantrekkelijkheid van een bepaalde sector. In sectoren zoals de zorg is die aantrekkelijkheid door de grote werkdruk eerder laag.

In dit stuk nemen we de sector van de kinderopvang als illustratie om inzicht te krijgen in de ruimere achterliggende problematiek en bekijken we hoe we de problemen binnen deze sector het beste kunnen aanpakken.

Laten we beginnen met de strategische relevantie van deze sector voor de samenleving. Kinderopvang is één van de belangrijkste emanciperende mechanismen die een overheid kan inrichten, naast degelijk onderwijs. Het is dan ook een cruciaal element om de welvaart structureel te vergroten. Dit komt doordat kinderopvang het mogelijk maakt om ouders te laten werken. Het inkomen dat daarmee ontstaat, wordt bovendien belast, wat de overheid vervolgens opnieuw kan aanwenden om sociaal beleid te voeren. Mocht er geen kinderopvang voorhanden zijn, zou in veel gevallen één van de ouders opnieuw thuisblijven om zorgtaken op zich te nemen, een rol die vaak door de vrouwelijke gezinsleden zou worden vervuld.

Afgelopen jaar kwam de kwaliteit en betrouwbaarheid van de kinderopvang in een slecht daglicht te staan. De zorginspectiediensten hebben nadien hun controles aangescherpt, wat een goede zaak is: als ouder is het immers cruciaal dat je de zekerheid hebt dat je kinderen terechtkomen in een veilige omgeving. Maar een sluiting kan eveneens opgelegd worden vanwege herhaaldelijke administratieve tekortkomingen, wat recent ook bleek bij onze lokale kinderopvang, waardoor hier momenteel circa 100 opvangplaatsen op de helling staan. In het geval van sluiting zou het lokale gemeentebestuur in noodopvang moeten voorzien, wat, gezien de budgettaire situatie en het acute personeelsgebrek ook daar verre van vanzelfsprekend is.

(Lees verder hieronder.)

Dat de noodzaak aan controles er is, is ondertussen meer dan duidelijk geworden. Maar de manier hoe het Agentschap Opgroeien hiermee omgaat, moet absoluut beter. Gezien het acute personeelsgebrek in de kinderopvang, kan het bijna niet anders dat bepaalde administratieve procedures niet goed worden geïmplementeerd of maar deels worden opgevolgd.

Deze regels zijn er uiteraard niet zomaar en dienen vooral ter bescherming van de kinderen. Ze niet opvolgen is dus geen optie. Maar de overheid dient te vermijden dat de situatie escaleert naar meer drastische ingrepen zoals sluiting. In voorkomend geval zijn het immers vooral de ouders die het gelag zullen betalen door deeltijds, halftijds of zelfs helemaal niet meer te gaan werken, wat het gezinsinkomen eveneens doet dalen. Er is bovendien al enorm veel druk op jonge gezinnen om de combinatie tussen gezin en professionele werkzaamheden te balanceren, een probleem dat door een sluiting enkel dreigt te verergeren.

Ironisch genoeg toont onderzoek naar het gebruik van kwaliteitsmeting systemen aan dat er sprake is van een paradox: hoe meer we zijn gaan meten en aansturen volgens regels en procedures, hoe meer de kwaliteit van de dienstverlening er op achteruit lijkt te gaan. Dat komt ondermeer omdat achterliggende prestatiedimensies elkaar vaak tegenspreken. Een behoefte aan duidelijke procedures gaat zo bijvoorbeeld vaak ten koste van de autonomie van medewerkers. Dergelijke autonomie is echter vaak wat medewerkers intrinsiek motiveert, vermijdt dat ze vroegtijdig de organisatie verlaten, en zorgt voor de discretionaire ruimte die nodig is om een pedagogische aanpak uit te werken in het belang van de ontwikkeling van het kind.

Autonomie verhoogt bovendien de creativiteit onder medewerkers, wat bijdraagt aan innovatie die de efficiëntie en kwaliteit van de dienstverlening op middellange termijn ten goede komt.

Wat moet er dan gebeuren? 

In de eerste plaats moeten de gebruikte beoordelingssystemen van het Agentschap Opgroeien zelf opnieuw beoordeeld worden. Als ze het risico lopen om ongewenste neveneffecten te genereren, dan moeten ze worden aangepast. Procedures moeten vooral eenvoudig zijn, zonder allerlei bijkomende administratieve werkbelasting te creëren. De overheid dient bovendien te overwegen om kinderdagverblijven veel meer te coachen zodat ze minder reactief hoeft op te treden. Het zou ook mogelijk moeten zijn om kinderopvangverblijven die administratief niet in orde zijn tijdelijk onder curatele van het Agentschap Opgroeien te plaatsen, eerder dan ze te sluiten, zodat sluiting enkel wordt voorbehouden voor situaties die zeer ernstig zijn.

(Lees verder hieronder.)

Naast een herevaluatie van de prestatiemetingsystemen zelf, is deze kwestie vooral ook een efficiëntie vraagstuk vermits het personeelstekort in deze sector veel meer structureel van aard is en doordat jobpercepties maar geleidelijk wijzigen. Dit houdt in dat er een kerntakendebat moet worden gevoerd. Is het bijvoorbeeld nodig dat kinderverzorgers koken of poetsen terwijl ze in de eerste plaats voor deze werkzaamheden kiezen om kinderen te helpen bij hun ontwikkeling? Mogelijk is het beter om deze taken te scheiden en uit te besteden aan derde partijen.

Hetzelfde geldt voor de administratieve taken: Is het realistisch te verwachten dat zaakvoerders van kinderdagverblijven dit allemaal zelfstandig moeten uitzoeken terwijl dit in feite taken zijn die normaliter door een middenkader moeten worden uitgevoerd maar waarvoor geen personeel te vinden is?

Lokale besturen kunnen mediëren door kinderdagverblijven meer actief te ondersteunen bij het uitwerken van dergelijke procedures doordat ze veel meer ervaring hebben in het interpreteren van wetgeving en het uitwerken van procedures. Daarnaast is het mogelijk om schaalvoordelen te creëren door kinderdagverblijven binnen schoolgebouwen of rusthuizen te vestigen zodat zij mee gebruik kunnen maken van de daar al aanwezige infrastructuur en administratieve en logistieke ondersteuning, in ruil voor een billijke vergoeding.

Ten slotte kunnen ook bedrijven meer worden gestimuleerd om zelf in kinderopvang te voorzien, waarbij ze in ruil voor compensatie een gedeelte van de opvangplaatsen dienen voor te behouden aan niet-werknemers om geen ongewenste sociale neveneffecten te creëren.

Waar wachten we op? 

Lode De Waele is verbonden als assistant professor aan het departement Bestuurs – en Organisatiewetenschap van de Universiteit Utrecht. Hij is lid van denktank Eleni.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content