Als kind groeide ik buiten op. Mijn zus en ik bouwden forten. We groeven kuilen. We maakten paadjes en slingerden aan takken. Binnenshuis was waar we sliepen, of speelden als het zo koud werd dat het leek of onze vingers konden afbreken (we woonden op het platteland in Michigan waar dat tot ver in de lente zomaar zou kunnen gebeuren). Maar buitenshuis, dáár leefden we.

In de tijd sinds onze jeugd is de wereld fundamenteel veranderd. Kinderen groeien tegenwoordig voornamelijk in huis op, met af en toe even wat beweging om van het ene gebouw naar het andere te komen. Ik overdrijf niet. Een gemiddeld Amerikaans kind brengt 93 procent van zijn of haar tijd door in een gebouw of vervoermiddel. En dat geldt niet alleen voor Amerikaanse kinderen. De cijfers wijzen op iets soortgelijks voor kinderen in Canada, Europa en Azië.

Ik schrijf dit niet om me te beklagen over hoe het er met de wereld voorstaat, maar om aan te geven dat deze verandering wijst op een radicaal andere fase in de culturele ontwikkeling van onze soort. Wij zijn, of worden, Homo binnenshuisus, de binnenblijvende mens. We leven nu in een wereld die wordt afgegrensd door de muren van ons huis of appartement, muren die in directere verbinding staan met gangen en andere huizen dan met de wereld buiten.

Nooit alleen thuis

In het licht van deze ontwikkeling zouden we misschien in de eerste plaats moeten weten met welke soorten we samenwonen en welke invloed die hebben op ons welbevinden. Maar in werkelijkheid weten we er amper iets van af.

We weten van het bestaan van ander leven in huis sinds de begindagen van de microbiologie. In die tijd legde één man zich hierop toe, Antonie van Leeuwenhoek, en hij ontdekte een verbijsterend aantal levensvormen bij hem thuis, op zijn lichaam en in de huizen en op de lichamen van zijn buren. Hij bestudeerde deze soorten met een soort bezeten blijheid en zelfs ontzag.

In de eeuw na zijn overlijden nam eigenlijk niemand het stokje van hem over. Toen men er uiteindelijk achter kwam dat we van sommige soorten in ons huis ziek konden worden, ging alle aandacht uit naar die soorten, de ziekteverwekkers. Daarop veranderde onze kijk op de zaak volledig en beschouwden we de soorten waar we ons huis mee delen, als we er al op letten, als slecht, als iets wat we dood moesten maken. Die omslag redde levens, maar sloeg te ver door, waardoor in feite nooit iemand de tijd nam om te bestuderen of te waarderen wat er verder nog in huis leefde.

Ga zitten. Waar je nu ook zit, je bent omgeven door een zwevend, springend, kruipend circus van duizenden soorten.

Pas een paar jaar geleden kwam daar verandering in. Onderzoeksteams, waaronder het mijne, gingen serieus opnieuw kijken naar wat er zoal in huis aan leven te vinden is. We volgden daarbij min of meer dezelfde aanpak als waarmee een regenwoud in Costa Rica in kaart wordt gebracht, of een steppe in Zuid-Afrika. En toen we dat deden, wachtte ons een verrassing. We dachten een paar honderd soorten te zullen aantreffen, maar stuitten in plaats daarvan op - afhankelijk van de rekenmethode - meer dan tweehonderdduizend soorten.

Veel van deze soorten zijn microscopisch klein, maar andere zijn groter en worden desondanks over het hoofd gezien. Adem in. Inhaleer diep. Met iedere teug lucht voer je de zuurstof tot diep in de blaasjes van je longen, samen met honderden of duizenden soorten. Ga zitten. Waar je nu ook zit, je bent omgeven door een zwevend, springend, kruipend circus van duizenden soorten. We zijn nooit alleen thuis.

Er zijn meer soorten bacteriën in huis aangetroffen dan er soorten vogels en zoogdieren bestaan op aarde.

Maar welke soorten leven er nu precies om ons heen? Dat zijn, uiteraard, de grotere soorten die we kunnen zien. Over de hele wereld stuit je binnenshuis op tientallen, misschien honderden verschillende soorten gewervelde dieren en zelfs nog veel meer planten, en verder zijn met het blote oog de geleedpotigen, de insecten en aanverwanten te zien. Veel gevarieerder dan de geleedpotigen en vaak kleiner, maar niet altijd, zijn de soorten uit het rijk van de zwammen en schimmels. Kleiner dan de zwammen, en onzichtbaar met het blote oog, zijn de bacteriën. Er zijn meer soorten bacteriën in huis aangetroffen dan er soorten vogels en zoogdieren bestaan op aarde. Nog kleiner dan de bacteriën zijn de virussen, zowel degene die planten en dieren infecteren als gespecialiseerde virussen, de bacteriofagen, die bacteriën aantasten.

We zien al deze verschillende levensvormen los van elkaar. Maar in feite komen ze vaak gezamenlijk ons huis binnen. De hond die door de voordeur komt binnensjokken, heeft bijvoorbeeld vlooien die in hun darmen schimmels voeden en bacteriën die de gastheer zijn van bacteriofagen. Toen de schrijver van Gullivers reizen, Jonathan Swift, opmerkte dat 'iedere vlo kleinere vlooien heeft die op hem azen', wist hij nog niet de helft van wat er echt aan de hand is.

Stop met schrobben

Als je zo hoort wat er allemaal bij je in huis leeft, krijg je misschien de neiging het huis meteen flink te gaan schrobben, en dan nog een keer. Maar er is nog een verrassend weetje. Toen mijn collega's en ik het leven in huis bestudeerden, ontdekten we dat veel van de soorten in de meest uiteenlopende huizen goed voor ons zijn, noodzakelijk zelfs. Sommige van deze soorten dragen bij aan ons immuunsysteem. Andere helpen de ziekteverwekkers en schadelijke soorten in toom te houden en te bestrijden. Veel van hen kunnen misschien nieuwe enzymen en medicijnen leveren. Een paar kunnen nieuwe soorten bier en brood laten fermenteren. En duizenden volvoeren ecologische processen waar de mensheid mee gediend is, zoals ons kraanwater vrijwaren van ziekteverwekkers.

De meeste vormen van leven in huis zijn ofwel goedaardig ofwel nuttig. Maar juist nu wetenschappers beginnen in te zien hoe goed, zo niet noodzakelijk veel van deze soorten in huis zijn, intensiveert de maatschappij als geheel haar pogingen om ons huis zo steriel mogelijk te maken. Het gebruik van pesticiden en antibacteriële schoonmaakmiddelen, in combinatie met verregaande stappen om ons huis hermetisch af te sluiten van de rest van de wereld, leidt doorgaans tot het afsterven en uitsluiten van de nuttige soorten die eveneens gevoelig zijn voor zulke aanvallen. Daar komt nog bij dat we resistente soorten onbewust een handje helpen, zoals Duitse kakkerlakken, bedwantsen en dodelijke mrsa-bacteriën (de meticillineresistente Staphylococcus aureus). We trekken deze resistente soorten die naast ons leven niet alleen voor, maar bespoedigen ook hun verdere evolutie.

Op dit moment evolueren de soorten in huis sneller dan enige andere soort waar dan ook op aarde. Misschien zelfs sneller dan ooit eerder is voorgekomen. We voeren het tempo van die evolutie bij ons thuis op ten koste van onszelf. Ondertussen zijn de kwetsbare soorten die de strijd konden aanbinden met deze nieuw ontwikkelde en steeds problematischer soorten verdwenen. Nog afgezien van het feit dat het getroffen gebied immens is: de ruimte binnen is een van de snelst groeiende biomen op onze planeet, en inmiddels groter dan sommige leefgebieden buiten.

Misschien is het gemakkelijker om deze omslag te zien in termen van een specifieke plek. Laten we New York nemen en ons binnen die stad op Manhattan richten. Op onderstaande afbeelding ziet u de omvang van het gebied dat Manhattan inneemt.

De grote cirkel geeft de omvang van het vloeroppervlak binnen aan. De kleine cirkel is het grondoppervlak buiten. Het vloeroppervlak binnen is in Manhattan momenteel drie keer zo groot als het grondoppervlak buiten. In deze wereld binnenskamers vindt iedere soort die er weet te overleven enorme hoeveelheden voedsel (ons lichaam, ons eten, ons huis) en een gunstig, stabiel klimaat. Gezien deze feiten zal de wereld binnenskamers nooit steriel worden. Er wordt weleens gezegd dat de natuur een afkeer heeft van een vacuüm, maar dat klopt niet helemaal. Het is eerder zo dat de natuur een vacuüm opslokt. Iedere soort die onbetwist eten en onderdak kan koloniseren zal dat razendsnel doen, zoals de opkomende vloed, door onder onze deur en om elk hoekje te glippen en in onze kasten en bedden te kruipen. In het beste geval bevolken we ons huis met soorten die ons meer goed dan kwaad doen. Maar willen we dat doen, dan zullen we eerst de soorten moeten kennen die al zijn binnengedrongen, die 200.000 en nog wat soorten waar we zo weinig van afweten.

Nooit alleen thuis. Rob Dunn. ISBN 9789463820332. 352 blz. 23,99 euro. Uitgeverij Balans. Verschijningsdatum 20 augustus 2019.