Artsen gebruiken soms technieken die hun nut bewezen hebben maar waarvan niet goed bekend is wat ze in feite doen. Neem hersenstimulatie: daarmee proberen wetenschappers de activiteit van bepaalde hersengebieden bij te sturen, onder meer om epilepsie, depressie of chronische pijn te behandelen. Dat gebeurt met wisselend succes.

Neurowetenschapper Maria Romero (KU Leuven) en haar collega's schrijven in Nature Communications dat de meest gebruikte techniek, transcraniële magnetische stimulatie, bij resusapen maar een héél klein gebied van de hersenen beïnvloedt, maar dan wel (eventjes) héél sterk. Dat ze op een bijzonder klein gebied impact heeft, zou het wisselende succes van de techniek kunnen verklaren.

De meest gebruikte hersenstimulatie beïnvloedt een héél klein hersengebied héél sterk.

De cellen die in onze hersenen visuele prikkels verwerken, worden niet moe als ze aldoor naar hetzelfde moeten kijken. Dat hebben neurofysioloog Rufin Vogels (UZ Leuven) en zijn collega's aangetoond bij resusapen. Maar de cellen reageren wel minder als ze aldoor dezelfde prikkels te verwerken krijgen. Hóé ze dat precies doen, moet nog worden achterhaald.

De onderzoekers maten de activiteit van individuele hersencellen. De resultaten van hun onderzoek, gepubliceerd in Current Biology, kunnen nuttig zijn in de strijd tegen aandoeningen als autisme en dyslexie.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.