Het zorgt voor hoofdbrekens bij evolutiebiologen: waarom gaat de gemiddelde mens in een samenleving die hem in staat zou stellen om (weliswaar met veel inzet) een tiental kinderen groot te brengen over op een modus waarbij hij alles inzet op maximaal twee kinderen? Je ziet het wereldwijd: de beste manier om overbevolking te bestrijden, is armoedebestrijding.
...

Het zorgt voor hoofdbrekens bij evolutiebiologen: waarom gaat de gemiddelde mens in een samenleving die hem in staat zou stellen om (weliswaar met veel inzet) een tiental kinderen groot te brengen over op een modus waarbij hij alles inzet op maximaal twee kinderen? Je ziet het wereldwijd: de beste manier om overbevolking te bestrijden, is armoedebestrijding. De biologie dicteert echter dat je zo veel mogelijk genen naar de volgende generaties moet doorgeven. Er is hier dus een conflict tussen natuur en cultuur. De algemene visie is dat mensen vroeger veel kinderen kregen opdat er toch een paar zouden overblijven om op hun oude dag voor hen te zorgen. Terwijl je nu, in een comfortabele maatschappij, veel investeert in weinig kinderen. Emeritus hoogleraar biologie Dirk Thys Van den Audenaerde (KU Leuven) bestudeerde de vraag met het oog op het onderscheid tussen twee algemene voortplantingsstrategieën: de R-strategie (van reproduction) en de S-strategie (van survival). 'Soorten moeten een juiste mix van S- en R-specialisaties hebben om te overleven', zegt hij. 'Haringen hebben weinig survival-kenmerken, tenzij in grote scholen gaan leven en snel zwemmen om aan belagers te ontsnappen. Maar hun reproduction is sterk ontwikkeld: met enkele miljoenen eitjes per legsel mogen er wel wat vissen geëlimineerd worden zonder dat het voortbestaan van de soort wordt bedreigd. De grote zoogdieren, daarentegen, zijn sterk in de S-richting opgeschoven. Met weinig jongen per worp, een lange draagtijd en lange zorg is de reproductiecapaciteit (R) laag. Maar de S van de jongen is groot: ze overleven makkelijker.' De vraag is: kan een soort overschakelen van de ene strategie naar de andere? 'Het lijkt met leeuwen te kunnen gebeuren', zegt Thys Van den Audenaerde. 'Als er veel prooidieren zijn, is er veel kans op overleving van de jongen (S) en minder nood aan reproductie (R). Er is voldoende voedsel, en het is makkelijk verkrijgbaar, dus volstaat een klein aantal jongen om het luilekkerleventje verder te zetten. Maar als er weinig voedsel is, en het is moeilijk te verwerven, dan moet de groep uit goede jagers bestaan die ook tegen een hongerperiode kunnen. Als er dan meer jongen komen, is de selectiecomponent groter door de sterkere competitie, wat een extra mechanisme kan zijn om het voortbestaan van de soort te verzekeren.' Is dat systeem van toepassing op de mens? 'Het is een gevaarlijke veronderstelling', besluit Thys Van den Audenaerde. 'Maar als onze voeding verzekerd is door een enorme voorraad in de nabije supermarkt, en onze gezondheid door een uitgebreid medisch stelsel en een betaalbare sociale zekerheid, is onze overlevingskans (S) groot en wordt onze reproductieactiviteit (R) minder cruciaal.'