Virussen zijn parasieten die zich niet kunnen voortplanten zonder de hulp van een gastheer, die ze infecteren. Ze zijn eenvoudiger dan de eenvoudigste cel. De vraag is dan: bestonden ze al voor er cellen ontstonden? En zo ja: hoe plantten ze zich dan voort?
...

Virussen zijn parasieten die zich niet kunnen voortplanten zonder de hulp van een gastheer, die ze infecteren. Ze zijn eenvoudiger dan de eenvoudigste cel. De vraag is dan: bestonden ze al voor er cellen ontstonden? En zo ja: hoe plantten ze zich dan voort? Een alternatieve hypothese is deze: ze zijn pas opgedoken na het ontstaan van eencellig leven dat zichzelf kon voortplanten. Virussen zouden, als een afscheuring van dat eenvoudige leven, hun nóg eenvoudigere eigen weg gegaan zijn. Voor dat mechanisme voert een studie in Nature Microbiology evidentie aan. Ze beschrijft een 'plasmide' of stukje DNA in een oeroud eencellig wezentje op Antarctica. Op dat plasmide, dat in de cel ronddwarrelt, ligt een gen waardoor het zich kan omhullen in een vetachtig hulsel, waarmee het zijn gastheercel kan verlaten. Dat is de basis van het gedrag van virussen, wat de stelling voedt dat ze ooit uit bestaande cellen zijn ontsnapt. Virussen moeten er al vroeg in de geschiedenis van het leven geweest zijn, want de meeste dieren en planten hebben er verdedigingsmechanismen tegen opgebouwd. Insecten en planten hebben een specifiek mechanisme waarmee ze met de voortplanting van virussen interfereren. Bioloog Niels Wynant van de KU Leuven en zijn collega's melden in Scientific Reports dat gewervelde dieren - en dus ook de mens - die mogelijkheid ooit hadden maar zijn kwijtgespeeld. Waarschijnlijk omdat ze een alternatief afweersysteem hebben ontwikkeld. De ontdekking van Wynant en co. kan verklaren waarom je de strijd tegen virale ziektes bij fruitvliegen en wormen niet zomaar naar muizen en mensen kunt vertalen.