Dirk Draulans’ Beestenboel: de kameelhalsvlieg kan met haar acrobatische paring zo in de kamasoetra

© Getty Images/iStockphoto
Dirk Draulans
Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Sommige diergroepen overleven zichzelf. Van de kameelhalsvliegen zijn fossielen gevonden van 300 miljoen jaar oud. De beestjes zouden heel talrijk geweest zijn in de tijd van de dinosaurussen. Vandaag is hun voorkomen naar insectennormen bescheiden. Er zijn amper 240 hedendaagse soorten van bekend, waarvan er zes in België en Nederland voorkomen.

De beperkte recente vertegenwoordiging heeft met een gelimiteerde verspreiding te maken: er zijn geen kameelhalsvliegen meer in tropische regio’s. Ze leven nog uitsluitend in het noordelijk halfrond, want ze hebben lichte vriestemperaturen nodig om te kunnen verpoppen. Zonder kou groeien ze niet uit tot volwassen dieren.

Kameelhalsvliegen zijn geen echte vliegen. Ze zijn verwant aan de mierenleeuwen. Ze hebben evenmin iets met kamelen. Die verwijzing danken ze aan het feit dat het voorste deel van hun borststuk uitgegroeid is tot een lange en beweeglijke ‘hals’. Daarmee kunnen ze hun kop oprichten om rond te kijken. Bijzonder zijn ook de grote glanzende vleugels met een dikwijls mooie blauwige schijn en goed zichtbare aders. Desondanks vliegen de beestjes weinig. Het zijn kruipers.

Kameelhalsvliegen hebben een fascinerend uiterlijk, maar ze worden zelden groter dan 2 centimeter, waardoor het niet echt opvalt. Het zijn diertjes die op (en in) hout leven, niet zelden verborgen onder schors. Ze kunnen in tuinen gezien worden (en soms binnen, als ze worden meegebracht met houtblokken voor de haard). Ze maken zich nuttig voor de tuinierende mens, want ze jagen vooral op bladluizen. Ook de larven, die twee tot drie jaar lang in spleten in hout leven, zijn echte jagers die bladluizenpopulaties onder controle kunnen houden.

In het voorjaar gaan de dieren op zoek naar een partner. Bij een ontmoeting gebeurt er niet zelden een paringsritueel waarin ze onder meer hun eigen poten en antennes uitgebreid poetsen, alsof ze zich extra proper willen maken voor ze overgaan tot de daad. De daad is een doorwrocht en acrobatisch gebeuren, waarbij het mannetje achter het vrouwtje gaat staan en zijn achterlijf helemaal naar voren over zijn eigen lijf kromt om met de punt de achterlijfpunt van het vrouwtje te kunnen beroeren. Het kan zo in onze kamasoetra met zijn vele rugbelastende standjes.

Na paring en bevruchting gaat het vrouwtje met haar lange legboor, die er vervaarlijk uitziet maar waarmee ze niet kan steken, op zoek naar geschikte plekjes in houtspleten om haar eitjes af te zetten. Omdat ze niet goed kan zien wat ze daarbij doet, heeft ze op het einde van de legboor speciale tastorgaantjes waarmee ze haar eitjes zo beschermd mogelijk kan achterlaten. Ze legt de eitjes nooit samen, want de larven die eruit komen zijn vanaf het begin eindeloos vretende mormels die met elkaar in competitie zouden gaan voor voedsel. Zelfs kannibalisme is beschreven voor deze diertjes. Ze blijven dus beter uit elkaars buurt.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content