De algemeenste mier in onze tuinen lijkt de zwarte wegmier te zijn. Mieren zijn sowieso talrijk in de natuur. Per mens zouden er anderhalf miljoen zijn. In een doorsneetuin van een kwart hectare van bij ons zouden er drie tot vijf miljoen leven. Je hebt er geen idee van hoeveel leven er onder je krioelt als je op je grasveld ligt te zonnen.
...

De algemeenste mier in onze tuinen lijkt de zwarte wegmier te zijn. Mieren zijn sowieso talrijk in de natuur. Per mens zouden er anderhalf miljoen zijn. In een doorsneetuin van een kwart hectare van bij ons zouden er drie tot vijf miljoen leven. Je hebt er geen idee van hoeveel leven er onder je krioelt als je op je grasveld ligt te zonnen. De zwarte wegmier heeft alles om een klassieke mier te zijn. In de zomer gaan maagdelijke koninginnen en mannen gezamenlijk de lucht in voor een bruidsvlucht. De koninginnen vliegen snel en hoog, want ze willen zeker zijn dat ze gepakt worden door de snelste mannen. De enige taak van een mierenman is een koningin te bevruchten. Als dat gedaan is, sterft hij. Voor mannen die het niet halen, is het ook gedaan: hun leven is vruchteloos geweest. Als een bevruchte koningin weer landt, trekt ze haar vleugels uit. Dan zoekt ze een goed plekje om een gang in de grond te graven en zich terug te trekken in een broedkamer die ze zelf creëert. Daar begint ze eitjes te leggen, een activiteit die ze gemiddeld vijftien jaar zal volhouden. Het duurt tot tien weken voor de eerste eitjes uitkomen, maar de jonge miertjes moeten nog een tijdje verzorgd worden voor ze werksters zijn die het harde werk van hun moeder kunnen overnemen. Al die tijd kan de koningin niet eten. Aanvankelijk teert ze vooral op de afbraak van haar vliegspieren, die ze toch niet meer nodig heeft. Als ze nadien in hongersnood komt, verorbert ze wat van haar eigen eieren. Tegen de tijd dat haar eerste dochters - alle werksters zijn vrouwen - klaar zijn voor de grote arbeid, kan een koningin de helft van haar gewicht verloren hebben. In de mensenwereld is dat doorgaans anders. Zodra de werkstersmacht op volle kracht begint te komen, wordt een mierennest sterk uitgebreid. Er komt een ondergronds gangenstelsel, waarop vele broedkamers uitkomen. Het uitgegraven zand wordt bovengronds opgehoopt en gemanaged als een verlengstuk van het nest. Wetenschappers hebben zich lang het hoofd gebroken over de vraag hoe de massa werksters erin slaagt een min of meer coherent bouwwerk te produceren. Het antwoord verscheen in het vakblad Proceedings of the National Academy of Sciences: mieren larderen het zand waarmee ze een nest uitbreiden en versterken met zelfgemaakte feromonen: hormonen met een effect op andere mieren. De feromonen sturen de bouwactiviteiten door collega-miertjes aan te trekken. Hun concentratie vervaagt in functie van de temperatuur en andere omgevingsomstandigheden. Zo laten ze een vorm van strikte coördinatie toe: er wordt niet in het wilde weg gebouwd in de wegmierenwereld. Een studie in PLOS One toont aan dat mieren van veel hoeken in hun nest sanitaire voorzieningen maken: plekjes waar alle miertjes naartoe trekken om hun behoefte te doen. Dat klinkt een beetje raar, omdat mieren propere beestjes zijn die alles wat enigszins op afval lijkt uit hun nest verwijderen. Maar wetenschappers gaan ervan uit dat ze hun uitwerpselen gebruiken - recycleren, in feite - als extra bouwmateriaal of als meststof voor de kolonies van bladluizen die ze in hun nest kweken (een mierenversie van onze veeteelt). Ze zijn gek op de suikerachtige vloeistof die bladluizen afscheiden. Zwarte wegmieren zijn echte zoetekauwen.