Hassan is 13. Twee jaar geleden namen de door de Koerden geleide Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) hem gevangen tijdens een gevecht tegen de terreurgroep IS. Stukje bij beetje kwam zijn verhaal er toen uit. Zijn vader en oom waren allebei emir bij de IS, wrede mannen die minstens vijftig tot zestig mensen hadden onthoofd. Hassan was er vaak bij aanwezig geweest. Hij had de taak gekregen om de hoofden weg te leggen.
...

Hassan is 13. Twee jaar geleden namen de door de Koerden geleide Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) hem gevangen tijdens een gevecht tegen de terreurgroep IS. Stukje bij beetje kwam zijn verhaal er toen uit. Zijn vader en oom waren allebei emir bij de IS, wrede mannen die minstens vijftig tot zestig mensen hadden onthoofd. Hassan was er vaak bij aanwezig geweest. Hij had de taak gekregen om de hoofden weg te leggen. De Koerden besloten de jongen onder te brengen in Hori, het rehabilitatiecentrum voor IS-kindsoldaten aan de rand van Tal Maarouf, een gehucht in het noordoosten van Syrië. 'Vandaag doet Hassan het best goed, zeker als je bedenkt wat hij allemaal heeft meegemaakt', zegt Musab Mohammed, codirecteur van het instituut. 'Van de rechter heeft hij drie jaar celstraf gekregen, bij ons zal hij langer blijven. We houden hem extra in het oog, hij volgt een speciaal programma. We gaan onder meer met hem wandelen buiten in het dorp. Heel gewone, alledaagse dingen.' Omdat de Koerden niet alle jongeren met een verleden bij de IS plompverloren voor jaren wilden opsluiten en ze een manier zochten om de banden aan te halen met de lokale Arabische bevolking, die de IS vroeger steunde, zochten ze naar constructieve alternatieven. De gevangenissen puilden sowieso uit van extremistische strijders, er moest iets gebeuren. Zo ontstond Hori, in 2017. Het concept kwam van de Koerden zelf, buitenlandse invloeden zijn er niet. De instelling, gefinancierd door de Koerdische overheid en private giften, biedt momenteel onderdak aan zestig jongens tussen de 11 en de 18 jaar. 'Sommigen waren helpers, deden klussen en boodschappen voor de extremisten. Anderen werden meegenomen door hun ouders en gedwongen bij de IS ingelijfd. Een aantal kreeg een opleiding om zelfmoordaanslagen te plegen. Ze werden gevonden met een bomgordel aan. In plaats van zichzelf op te blazen, besloten ze zich over te geven', zegt Mohammed. 'De jongens gaan ons niet met zoveel woorden vertellen dat ze mensen gedood hebben, maar we weten dat sommigen bepaalde zaken hebben uitgehaald. We praten daar niet over. Wat ze precies gedaan hebben, is informatie voor de rechtbank.' Hij benadrukt: 'De kinderen kunnen niet weg, ze zitten hier tegen hun wil. Maar dit is geen gevangenis, geen detentiecentrum. Hori is een opleidingscentrum.' Binnen lopen bewakers en staf niet met een wapen rond. Ook militaire uniformen worden er geweerd. Veel jongens zijn gewond als ze in het instituut aankomen, vaak door kogels. Het centrum wil hen niet opnieuw confronteren met wapens en geweld. Alleen de bewakers op het dak en aan de ingang zijn gewapend. De kapotgeschoten minaret van de oude moskee is een stille getuige van de tijd dat de IS Tal Maarouf in handen had, in 2014: de jihadisten vonden dat een moskee maar één minaret mocht hebben en geen twee, zoals hier. In de schaduw van de geschonden moskee ligt Hori, omringd door hoge muren vanwaar bewakers de boel in het oog houden. Het is halfnegen 's ochtends, de jongens maken zich klaar voor de lessen. Sommigen zijn in de weer met emmers en borstels om het pad te schrobben rond het grasveld op het binnenplein. Bij de leslokalen spelen ze met knikkers - hier blijkbaar een populair tijdverdrijf. Wat opvalt, zijn de gelaatstrekken. Vergeleken bij de doorsnee blozende pubers op de Belgische schoolpleinen zien deze jongens eruit als getekende volwassenen. Hun gezichten hebben niets jeugdigs meer, op enkele uitzonderingen na. Jonge oude mannen die te veel hebben gezien. Hassan, de zoon van de gewelddadige emir, zit op zijn knieën op de grond te knikkeren. Rood trainingsjasje, blauwe joggingbroek, sportschoenen, kortgeschoren haar. Met zijn ronde wangen heeft hij toch nog een beetje een kindergezicht. De bewoners van het centrum dragen allemaal dezelfde soort vrijetijdskleding. Bij aankomst vraagt de leiding aan iedereen of ze hun traditionele kleding willen omruilen voor iets 'westers'. Ook de baarden en het lange haar moeten eraf. 'We proberen hun radicale ideeën om te zetten in normale gedachten', zegt directeur Mohammed. 'Dat is niet makkelijk, omdat ze nog klein waren toen ze bij de IS zaten. Hun gedachtegoed zit diepgeworteld. Volgens de IS zijn wij duivels, de kufar, ongelovigen. In het begin waren de jongens echt bang voor ons. Maar stilaan krijgen ze wat vertrouwen, zien ze dat we niet zo gevaarlijk zijn.' Ook buitenlandse IS-jongeren volgen het programma in het instituut. Een Russische jongen die Ilias heet, iemand uit Indonesië en een Frans-Tsjetsjeens kind van wie de moeder in Parijs woont. 'Iedereen kan hier terecht', zegt Mohammed. 'Jongeren van 11 tot 18 jaar worden twee maanden nadat ze zijn opgepakt sowieso naar ons gestuurd. Jongere kinderen blijven bij hun moeder of andere familie. We hebben al eens tachtig jongens gehad, dan weer wat minder. Mocht er een enorme toeloop komen, dan bouwen we nieuwe centra.' 'De straffen die de jongens van de rechter opgelegd krijgen, variëren van zes maanden tot een paar jaar. Maar we geloven dat onze aanpak meer zin heeft dan hen zo lang op te sluiten. Als ze zich goed gedragen, kan hun straf verminderd worden. We hebben besloten om niemand langer dan zeven jaar bij ons te houden. Je moet ergens een termijn stellen.' Een groot deel van de kindsoldaten blijkt bij aankomst analfabeet en straatarm. 'Ze zijn niet allemaal even zwaar geradicaliseerd. Een aantal is gewoon omgekocht', legt Gadija Moussa uit. Zij runt het centrum samen met Musab Mohammed. 'We halen hen er snel uit, want wie het voor het geld deed, integreert veel makkelijker dan de jongens die daadwerkelijk gehersenspoeld zijn.' Van de zestig gasten in het instituut zijn er vijf zware gevallen, klinkt het. Ze krijgen apart les en worden gevolgd door een psycholoog. 'Ze vechten met de andere jongens, luisteren naar niemand', zegt Moussa. 'Maar na een tijd gaat het beter. Dan schelden ze niet meer om de haverklap en staan ze meer open voor een gesprek. In het begin hadden veel jongens het moeilijk om te luisteren naar mij als vrouw, nu vinden ze het normaal. We hebben vrouwelijke leerkrachten in dienst. Niemand draagt een hoofddoek, we lopen rond in jeans. We willen de jongens niet afscheiden van de gewone wereld, we willen hen er juist aan laten wennen. Net omdat ze op deze leeftijd zo beïnvloedbaar zijn, staan ze ook eerder open voor nieuwe ideeën.' Hebben die ideeën te maken met de normen en waarden van de instelling, geënt op het egalitaire gedachtegoed van Abdullah Öcalan, de door de Turken gevangen genomen leider van de Koerdische guerrillabeweging PKK? 'Nee', klinkt het stellig. 'We willen de ene ideologie niet vervangen door een andere.' Het lessenpakket in Hori bestaat onder andere uit Arabisch, Koerdisch, godsdienst en psychologie. In de lessen psychologie gaat het vooral over positieve aspecten, vertelt Weyda Abasali, een van de vrouwelijke leerkrachten. 'Hoe word je een beter mens? Wie is succesvol, en van welke succesvolle mensen in de wereld kunnen we iets leren? Zulke vragen stellen we aan de leerlingen.' Voor de les van 9 uur begint, staan de jongeren bijeen op het binnenplein. De leerkracht voor hen roept luid 'Goedemorgen!' in het Arabisch, gevolgd door 'Iedereen een fijne dag!' - waarop de jongens het telkens in koor even luid herhalen. In de klaslokalen zelf valt op hoe gedisciplineerd ze zijn. Ze luisteren, onderbreken niet. Als iemand een vraag heeft, staat hij op en wacht op toestemming. Hun losse trainingsbroeken en hoody's staan in schril contrast met hun discipline. Je zou eerder een uniform verwachten. Maar van enige militaire dril is geen sprake, zegt directeur Mohammed. 'We hebben wel een strikt dagschema. Regelmaat is belangrijk na de chaotische situatie waaruit de jongens komen.' De Frans-Tsjetsjeense jongen is bereid om ons te woord te staan, horen we. Assadullah komt op zijn blote voeten aangedrenteld, gaat op verzoek van de leerkracht terug om zijn schoenen aan te doen, en staat een halfuur later weer voor ons. Een klein, bleek kind van 13 jaar. Geen oude jonge man, hij ziet er nog als een kind uit. Assadullahs ouders zijn van Tsjetsjeense afkomst, hijzelf is geboren in Frankrijk. Zijn moeder woont nog altijd in Parijs, samen met zijn zeven broers en zusjes. De jongen spreekt vlot Arabisch. 'Sinds ik hier les volg, gaat het snel vooruit.' In 2015 nam de vader van Assadullah hem en zijn twee oudere broers vanuit Parijs mee naar Syrië. 'We kwamen binnen in Idlib', vertelt de jongen. 'Daarna trokken we naar Raqqa, waar ik een opleiding kreeg van een maand. Ik moest leren over de Koran, maar ik snapte er niets van. Mijn Arabisch was toen nog slecht, ik kon niet volgen wat de leraar vertelde. Maar dat maakte niet uit, zolang ik de Koranverzen maar uit het hoofd kon opzeggen. Het was vooral saai.' Assadullahs vader stierf tijdens een gevecht in Manbij, in het noorden van Syrië. Later kwamen ook zijn twee oudere broers om door bombardementen van de coalitie. Hij bleef alleen over en sloeg op de vlucht. 'Ik had de oorlog nooit van dichtbij meegemaakt. Plots waren er overal vliegtuigen. Ze bombardeerden ons van alle kanten.' Na een paar maanden zwerven gaf Assadullah zich vrijwillig over aan de Koerden. 'Er werd overal geschoten, ik had geen eten meer, ik was bang.' Samen met de twee vrienden met wie hij op de vlucht was, kwam hij in het rehabilitatiecentrum terecht, een jaar geleden. Nu wacht hij op het moment dat hij terug naar zijn moeder kan, in Parijs. 'Het is hier niet slecht, maar alle jongens willen naar huis. Ik mag gelukkig wel bellen met mijn moeder, een keer per maand. Ik tel de dagen af tot ik haar terugzie.' Hassan, zoon van de emir, zit op zijn hurken en schiet met zijn duim een knikker richting de pot. Het is pauze tussen de eerste en tweede les. Om 13 uur hebben de leerlingen vrij. Dan houden ze zich bezig met tv-kijken (alleen zenders zonder geweld zijn beschikbaar), met computerspelletjes (ook geweldloos), met knutselen, knikkeren, sporten en lezen. Hassan knikkert graag. Hij zit tussen de andere jongens, kijkt nauwelijks op of om, concentreert zich op het spel. Hij wil niet met ons praten, heeft hij zojuist aan de directeur laten weten. 'Ik wil naar de toekomst kijken, het verleden vergeten.' Ilias, de Russische jongen, ziet het evenmin zitten om zijn verhaal te vertellen aan buitenlandse journalisten, zegt de leiding. 'We moedigen hem aan, het zou een stap vooruit zijn, maar hij wil niet. We gaan hem niet forceren.' De 18-jarige Ahmed Hamud uit Raqqa is minder verlegen. Terwijl de anderen naar de volgende les gaan, stapt hij de kamer van de directeur binnen en geeft ons een hand. Hamud was 15 toen hij uit eigen beweging besloot om zich bij de IS aan te sluiten: 'Mijn neef haalde me over. Ik zat niet meer op school, werkte in een winkel en zocht wat nieuws in mijn leven. Zoals mijn neef het uitlegde, was het geweldig bij de IS. Ik ben erin getrapt en ging ervoor. Mijn ouders waren ertegen maar dat trok ik me niet aan.' Hamud moest eerst een basisopleiding van een maand volgen over de religieuze ideologie van de IS. 'Het kwam eigenlijk maar op één ding neer: "Dood de ongelovigen."' Daarna kreeg Hamud 40 dagen militaire en religieuze training. 'We werden aangemoedigd om tegen elkaar te vechten, om te laten zien wat je waard was. Als je niet luisterde, werd je hard aangepakt. Er was veel geweld, de instructeurs waren enorm streng, we waren doodsbang voor hen.' Hamud werd uiteindelijk naar Tabqa gestuurd, niet ver van Aleppo. Daar moest hij vechten tegen de door de Koerden geleide coalitie. Hij raakte gewond door een bom van een Amerikaans vliegtuig, klinkt het. Na een paar maanden van herstel raakte hij opnieuw gewond. 'We waren onderweg toen de Koerden op ons schoten. Ik werd geraakt in armen en benen. Iedereen van onze groep raakte gewond. We zijn in paniek de woestijn in gevlucht. Omdat ik niet kon lopen, ben ik op mijn buik door het zand gekropen, vier dagen lang. Tot de Koerden ons vonden.' Hamud werd twee dagen door de Amerikanen verhoord, zat daarna vijf maanden in de gevangenis in Kobani, en kwam uiteindelijk in Tal Maarouf terecht. Hij is hier bijna twee jaar.Zijn ouders zijn nog altijd kwaad op hem, zegt hij. Ze zoeken hem wel op in het centrum maar vergeven hebben ze hem nog niet. De neef die hem destijds heeft overgehaald, is dood. 'Ik wil nog iets van mijn leven maken, ik hoop mijn fouten recht te kunnen zetten, als dat ooit mogelijk is. Daarom wil ik verder studeren voor arts', klinkt het stellig. 'In plaats van gewonden te maken, wil ik ze nu genezen.' Hoe groot zijn de slaagkansen van het project in Tal Maarouf? 'Na twee jaar is het nog te vroeg om dat te bepalen', zegt directeur Mohammed. 'We weten wel dat we een goede band opbouwen met de jongens. We proberen niet alleen leerkracht te zijn maar ook broer, zus of vriend. Sinds 2017 zijn er ongeveer 100 jongens terug naar huis gestuurd. Met hen gaat het goed, we volgen hen op. Tot nu toe is er geen recidive geweest.' Ook voor de medewerkers van Hori zelf is het allemaal nieuw, zegt Mohammed. 'Er is geen formule om met kinderen als deze te om te gaan. We zijn in elk geval niet bang voor hen. Sommigen hebben meegewerkt aan gruweldaden en dat vergeten we niet, willen we ook niet vergoelijken. Maar het blijven kinderen. We beseffen dat jullie IS-strijders niet willen terughalen, dat er veel woede is en angst dat ze hervallen en nieuwe aanslagen plegen. Maar wat moeten wij dan zeggen? Wij zitten midden in de oorlog, en wij steken onze kop niet in het zand. Daar zou Europa misschien eens wat meer naar mogen kijken.' Omar Ramadan is directeur van het Europese Radicalisation Awareness Network (RAN). Hij noemt het een macabere tactiek van terreurorganisaties om kinderen te benaderen. Maar het heeft wel effect. Ten eerste zijn kinderen makkelijk te beïnvloeden, ten tweede is het een effectieve manier om de vijand te verrassen. Die vermoedt niet dat kinderen aanslagen plegen. De vraag is wat je als overheid met ex-kindsoldaten moet aanvangen. Ze kunnen niet als volwassenen berecht worden, ze hebben trauma's opgelopen, zijn soms gevaarlijk en tegelijk kwetsbaar. 'Vast staat dat het lastiger is om een tiener te rehabiliteren die aangezet is tot terreurdaden dan een peuter die de hooguit iets heeft opgevangen over het "goddeloze Westen"', zegt Ramadan. 'In Europa gaat de discussie over de kleuters, niet over de tieners. Er zijn weinig Europese kindsoldaten bij de IS, op dat vlak hebben wij in Europa weinig te vrezen. Hoe dan ook blijven het kinderen, al zijn ze soms bijna achttien en hebben ze deelgenomen aan oorlogsmisdaden. Opvangen en ermee aan de slag gaan is in elk geval een beter alternatief dan ze alleen maar opsluiten - dan versterk je hen nog in hun radicale ideeën.' Het Koerdische rehabilitatiecentrum lijkt gestoeld te zijn op effectieve methodes, zo concludeert Ramadan. 'Zo is het belangrijk om niet alleen de veronderstelde gewelddadige ideologie in de hoofden van de jongens te bestrijden, maar hen ook te voeden met de normen en waarden van de lokale samenleving. De ideeën die de kinderen overnemen van hun ouders of andere volwassenen waarvan ze afhankelijk zijn gemaakt, vormen voor hen de waarheid. Ook al waren de volwassenen misschien terreurleiders, ze hadden wel het vertrouwen van die kinderen. Door botweg te zeggen dat de waarden van die vertrouwenspersonen fout zijn, breek je de identiteit van het kind af zonder er iets voor in de plaats te geven. Het is veel duurzamer om een alternatief te bieden.' 'In Europa hoor je vaak dat wij de Koerden en anderen ginder moeten gaan uitleggen hoe ze mensen moeten deradicaliseren. Maar als ik dit zo hoor, denk ik: het zou verstandig zijn om van hén te gaan leren hoe ze het aanpakken.'