De twee laatste Franse presidenten, Nicolas Sarkozy en François Hollande, hebben met elkaar gemeen dat ze door niet ingeloste campagnebeloften al na enkele jaren hun populariteit zagen kelderen. Bij Hollande bereikte die op het einde van zijn quinquennat zo'n dieptepunt dat hij besloot zich niet langer verkiesbaar te stellen. Wat ze ook deelden was een bewogen liefdesleven dat breed in de pers werd uitgesmeerd.
...

Bij zijn aantreden maakte Hollande duidelijk dat hij de banken zou aanpakken en jobs zou creëren. Hij wist dat een overwinning van links na tien jaar rechts beleid hoge verwachtingen creëerde en pakte uit met enkele ingrepen, die de machtswissel in de verf moesten zetten.In zijn campagne van de eerste ronde had Hollande een programmapunt binnengesmokkeld om de opgang van de radicaal-linkse Jean-Luc Mélenchon te stoppen: inkomens boven het miljoen euro zouden 75 procent worden belast. Het bleek te werken. Mélenchon, die in de peilingen met zijn Front de Gauche op 17 procent piekte, kwam uiteindelijk uit op 11 procent. Met de miljoenentaks zelf liep het onder de regering van premier Ayrault veel minder goed af. Eerst werd de taks door het grondwettelijk hof om zijn confiscerend karakter nietig verklaard. Na wat aanpassingen en veel protest bij de werkgeversorganisatie MEDEF, die de maatregel 'fnuikend voor de investeringen' noemden, werd hij op 1 januari 2015 afgevoerd. Ook van een andere verkiezingsbelofte maakte Hollande meteen werk: de invoering van het homohuwelijk, dat onder Sarkozy nog was verworpen, maar dat onder meer in Nederland, België en Spanje al jaren bestond. In het voorjaar van 2013 werd de wet goedgekeurd na hevige debatten en demonstraties van voor- en tegenstanders. Alle rechtse partijen, inclusief de UMP van Sarkozy, stemden tegen. De katholieke kerk, maar ook imams lieten zich massaal horen tegen de wet. Nogal wat homo's namen het de PS daarna kwalijk dat ze te weinig een vuist had gemaakt tegen de homofobe en intolerante islam die homoseksualiteit veroordeelt.Hollande, die kon rekenen op de stem van een meerderheid van studenten en leerkrachten, moest ook zijn campagnebeloften voor een democratischer en beter onderwijs waarmaken. Hij had beloofd het aantal leerlingen dat zonder diploma afhaakte (140.000) in te dijken. Hij beloofde ook kleinere klassen en 60.000 nieuwe leerkrachten. Het resultaat was bescheiden. Vandaag vallen er nog steeds 98.000 leerlingen zonder diploma uit, maar er werden wel 42.000 extra leraren aangeworven. Helaas werden, als gevolg van de sterke demografische groei, de klassen niet kleiner. Maar bij de inhoudelijke hervorming van het lagere en secundaire onderwijs, de zogenaamde réforme du collège, vergallopeerde Valls' onderwijsminister Najat Vallaud Belkacem zich en ontketende hij een storm van kritiek in het onderwijsveld. Het idee voor meer thematisch en interdisciplinair onderwijs, meer integratie van theorie en praktijk en meer pedagogische vrijheid voor leraars was goed, maar werd te overhaast en geïmproviseerd ingevoerd. Driekwart van de leraars hadden kritiek op minstens één aspect ervan: de stiefmoederlijke behandeling van Latijn, Grieks, de tweede taal en geschiedenis of de te experimentele aanpak van interdisciplinariteit. In het najaar van 2015 werd er massaal gestaakt, maar het decreet werd toch aangenomen, tegen de wil van een flink deel van het onderwijsveld in. Hollande beloofde ook dat hij de budgettaire beperkingen die Europa had opgelegd, zou versoepelen. Daar kwam weinig van in huis. In de EU was bij het aantreden van Hollande net de sixpack aangenomen, een reeks maatregelen die begrotingsbeleid, de schuldgraad en het macro-economisch beleid van de lidstaten moest stroomlijnen met het oog op de redding van de eurozone. Hollande kon die begrotingsdiscipline moeilijk in vraag stellen als president van een land dat samen met Duitsland de as van de EU vormde en die zichzelf graag afschilderde als erfgenaam van de Europeesgezinde socialisten François Mitterand (president 1981-1995) en Jacques Delors (voorzitter van de Europese Commissie 1985-1995). Hij sprak zich wel uit voor economische groei als uitweg uit de eurocrisis en tegen al te strakke bezuinigingen. Maar het werd al na een half jaar duidelijk dat hij Merkel en haar minister van Financiën Wolfgang Schäuble, een hardliner van de begrotingsorthodoxie, niet tot budgetaire toegevingen zou kunnen bewegen. Door zijn beperkte budgettaire ruimte kon Hollande geen grootschalige overheidsinvesteringen inzetten om die groei aan te zwengelen. De groei moest dus van het bedrijfsleven komen. Gedurende zijn ambstermijn zouden zijn regeringen steeds nadrukkelijker kiezen voor een beleid dat het bedrijfsleven meer armslag geeft. Concreet kwam dat neer op de versoepeling van de arbeidsmarkt en de versterking van de concurrentiekracht van de Franse ondernemingen. De negatieve Franse handelsbalans wees overduidelijk op hun gebrek aan concurrentievermogen, zo bleek uit verschillende IMF-rapporten. Met zijn 'pact voor verantwoordelijkheid en solidariteit' zette Hollande een eerste stap. Hij kende aan bedrijven een belastingkrediet toe van 20 miljard euro in de vennootschapsbelasting in ruil voor de creatie van meer banen. Hierin was al de hand zichtbaar van zijn topadviseur voor economische en financiële kwesties, de jonge Emmanuel Macron. Hij financierde het belastingkrediet onder meer met een verhoging van btw-tarieven, van sommige tarieven in de personenbelastingen en van de distributietaks op gas en elektriciteit. Dat Hollande daarmee flagrant zijn verkiezingsbeloften brak, leverde hem striemende kritiek op uit de hoek van Mélenchon en zijn Front de Gauche. Andere jobcreërende maatregelen van de regering-Ayrault kwamen dan weer uit de traditionele socialistische koker. Zoals beloofd kwam er een aanwervingscampagne van leraren in het onderwijs en met zijn emploi d'avenir financierde de toenmalige minister van sociale economie Benoît Hamon jobs voor laaggekwalificeerde jongeren in bedrijven en verenigingen. Maar dat kon niet beletten dat de werkloosheid onrustbarend bleef stijgen en verder aan Hollandes populariteit en die van zijn eerste minister Ayrault knaagde. Van Ayrault naar VallsNa een zware nederlaag in de lokale verkiezingen verving Hollande op 1 april 2014 de wat kleurloze Ayrault door de veel populairdere Manuel Valls, die als toenmalige minister van Binnenlandse Zaken een consequent hard veiligheidsbeleid voerde en niet uit de media was weg te branden. Anders dan Ayrault was Valls geen verzoener van de verschillende strekkingen maarhet boegbeeld van de bedrijfsvriendelijke, sociaalliberale vleugel in de PS. Valls zou, aldus Hollande een 'strijdkabinet' op de been brengen, dat de hervormingen versneld moest doorvoeren en de stijgende werkloosheid een halt moest toeroepen. Maar Hollande verloor wel de steun van de groenen van EEVL, die Valls als premier niet aanvaardden en gefrustreerd waren door de zwakke groene agenda in de regering Ayrault. Toeval of niet: even later verliet ook Emmanuel Macron het Elysée. In de nieuwe regeringsploeg van Valls was voor hem geen plaats. De nieuwe superminister van Economie in Bercy was Arnaud Montebourg, een boegbeeld van de linkervleugel in de PS. Montebourg was onder Ayrault verantwoordelijk voor het industrieel beleid en voorstander van de nationalisering van Arcelor Mittal in Florange (bij Thionville), Lorraine, maar kreeg daarvoor geen akkoord van de regering en Hollande, die het Europees concurrentiebeleid als excuus inriepen. Florange staat sindsdien symbool voor de machteloosheid van Hollande en zijn PS-regeringen tegen de globalisering en het liberale marktbeleid van de Europese Unie. Door de teloorgang van de industrie ging het jongste decennium zowat een half miljoen Franse jobs verloren, vooral in Le Nord en Le Grand Est (Alsace, Lorraine, Champagne-Ardenne), voorheen rode bolwerken en nu massale kieswingewesten voor het Front National. Na een mislukte poging van Montebourg om de overname van het Franse technologiebedrijf Alstom door de Amerikaanse reus General Electric te verhinderen neigde hij steeds meer naar protectionisme en kreeg het aan de stok met Europa. Wanneer hij samen met Benoît Hamon in het openbaar uiting geeft aan zijn meningsverschil met Valls over het te voeren economische beleid, worden beide ministers vervangen. Macron neemt de plaats in van Montebourg en Najat Vallaud-Belkacem die van Hamon als minister van Onderwijs. Valls pakte het terrorisme hard aan na de Parijse aanslagen bij Charlie Hebdo en in de Bataclan en op de Promenade des Anglais in Nice. Dat en zijn handhaving van de noodtoestand moesten vroeg of laat ook botsen met de laatste vertegenwoordiger van de linkervleugel, minister van Justitie Christiane Taubira. Toen de regering besloot om de nationaliteit af te nemen van potentiële terroristen, nam ze in januari 2016 uit protest ontslag. Onder invloed van de Europese aanbevelingen zette de regering-Valls nog meer in op zogenaamde aanbodeconomie, die de remmen op bedrijfsvoering en concurrentiekracht als sociale lasten, belastingen en een overgereglementeerde arbeidsmarkt afbouwt. Volgens de Europese Commissie remde de rigide Franse arbeidswetgeving in de Code du Travail ook de tewerstelling af. Valls' minister van Arbeid, Myriam El Khomri, schreef daarom een wet die het makkelijker maakte om werknemers te ontslaan en akkoorden per bedrijf tussen werknemers en bedrijfsleiding mogelijk te maken zonder goedkeuring door de vakbonden. De wet leidde tot maandenlang straatprotest van vakbonden en de linkse beweging rond Mélenchon, La France insoumise. Zelfs een fractie van Frondeurs, linkse dissidente PS-parlementsleden, steunde het protest. Het gevolg was dat Valls geen meerderheid dreigde te halen in het parlement. Hij drukte de wet per decreet door op 10 mei 2016 via een grondwettelijke noodprocedure. De linkervleugel, die onder Valls steeds minder aan zijn trekken kwam, zou samen met zijn uitgerangeerde ministers later wraak nemen door in de PS-voorverkiezingen met Benoît Hamon de zege in de wacht te slepen. Die stak echter geen verzoenende hand uit naar de sociaal-liberale Valls-kamp en bleef vervolgens zelf verweesd achter met een povere 6,4 procent. Het PS-electoraat week massaal uit naar de radicaal-linkse Mélenchon en naar Macron. Hollande moest met lede ogen toezien hoe de diepe kloof in zijn partij tussen links (Aubry, Montebourg, Hamon, Taubira) en rechts (Valls, de burgemeerster van Lyon, Colomb) nog nauwelijks kan worden overbrugd. Wordt Macron president, dan zullen in het herschikte politieke landschap wellicht een aantal gematigde PS-politici bij En Marche! aansluiten en komt er wellicht ook een hergroepering in het linkse kamp rond Mélenchon.Toen Emmanuel Macron als minister van Economie in de regering Valls zijn wet lanceerde die naar hemzelf genoemd werd, wilde hij drie Franse ziekten aanpakken: wantrouwen, complexiteit en corporatisme. Hij liberaliseerde en flexibiliseerde op verschillende fronten tegelijk. Hij maakte zondags- en nachtwerk mogelijk en versnelde het arbeidsrecht, stelde beschermde beroepen als notaris en advocaat open voor concurrentie en liet de tarieven aan banden leggen. Daarnaast liberaliseerde hij het lange-afstandsbusvervoer tussen de grote steden met de bedoeling goedkoper reizen mogelijk te maken. Hij kreeg meteen heel de linkerzijde van de PS, vakbonden en La France Insoumise van Mélenchon over zich heen. Uit vrees geen meerderheid te halen werd de wet opnieuw per decreet aangenomen. Maar omdat hij zich steeds meer op het terrein van zijn collega-ministers begaf met zijn voorstellen, riep Valls hem in 2016 tot de orde. Toen hij tijdens zijn ministerschap ook nog eens zijn eigen beweging En Marche opzette met de bedoeling een brug te slaan tussen links en rechts, leek de breuk met Valls en Hollande, die toen nog allebei presidentiële ambities hadden, onvermijdelijk. Hij diende korte tijd nadien zijn ontslag in. De economische balans van vijf jaar Hollande in de tweede economie van Europa is ontgoochelend. De groei hinkte jarenlang achter op het gemiddelde van de eurozone. Toch heeft Frankrijk onder Valls een kleine inhaalbeweging gemaakt en zou het land dit jaar met 1,4 procent groeien. De werkloosheid steeg tijdens het quinquennat van Hollande van 9,2 naar 9,6 procent van de beroepsbevolking tegenover 7,8 procent in België, maar daalt opnieuw sinds 2016. Macron kondigde al aan dat hij als president de versoepeling van de arbeidsmarktwetgeving wil verderzetten die hij als minister van Economie was begonnen. Daarnaast wil hij de vennootschapsbelasting verlagen. De ingewikkelde, stroeve regelgeving en de hoge belastingdruk schrikken volgens hem de werkgevers af om aan te werven. Zijn programma is daarom veeleer een versterkte verderzetting van Valls' bedrijfsvriendelijke economische politiek dan een breuk. Maar er zal meer nodig zijn om de verwaarloosde economie en de torenhoge werkloosheid in het industriële braakland van het Noorden en Noord-Oosten aan te pakken, zeker als hij de 'vergeten groep Fransen' uit deze regio's niet nog meer in de armen van het FN wil drijven. Ook de negatieve handelsbalans heeft Hollande niet kunnen keren. Terwijl de eurozone 250 miljard euro handelsoverschot telt, bedraagt het Franse handelstekort 48,1 miljard euro. De Franse bedrijven zijn namelijk onvoldoende concurrentieel. Ze worstelen met hoge arbeidskosten en een verouderd productieapparaat. Want ondanks de lastenverlaging voor bedrijven onder Hollande, daalde hun gemiddelde winstgevendheid zodat ze ook minder investeerden in dat productieapparaat. De Franse overheidsfinanciën ten slotte zijn er het ergst aan toe. De relancepolitiek die de regeringen Sarkozy en Hollande tegen de financiële crisis hebben ingezet, waarbij ze tegen lage rente konden lenen, hebben de overheidsschuld doen oplopen tot 97,4 procent van het bbp. Alleen Italië en België doen nog slechter. Ook met een begrotingstekort van 3,2 procent is Frankrijk een van de slechtste leerlingen van de Europese klas. Toch beschikt Frankrijk over een troef: de demografische groei (6 miljoen meer Fransen op 15 jaar), die sterker is dan in andere landen als Duitsland of Italië. Die maakt de betaalbaarheid van de pensioenen en de sociale zekerheid minder zwaar. De keerzijde is dat de vastgoedprijzen in twintig jaar met 250 procent zullen stijgen. Een rem op de koopkracht, want het inkomen steeg slechts met 50 procent. De top rond de brexit was Hollandes laatste optreden in de Europese arena. Ook hier oogt zijn palmares niet indrukwekkend. Hij kon niet zoals hij beloofde een einde maken aan de Europese bezuinigingspolitiek. Hij schipperde voortdurend tussen zijn rol als voortrekker van de linkse Zuid-Europese landen en als schakel in de as Duitsland-Frankrijk. Ook al bemiddelde hij tussen Berlijn en de linkse Griekse premier Alexis Tsipras in de Griekse crisis van 2015, het was uiteindelijk Schäuble die zijn zin kreeg. Uit vrees voor de opkomst van het FN liet hij zelfs na een standpunt in te nemen in de vluchtelingencrisis, toen Merkel haar 'wir schaffen das' lanceerde. Vleugellam gemaakt door zijn impopulariteit en de stroeve relatie met Merkel, leek hij zelfs even de rol van sociaal-democratische voortrekker in Europa aan de Italiaanse premier Renzi over te laten. Toch was Frankrijk internationaal niet helemaal onverdienstelijk. Met zijn militaire optreden in Mali boekte hij een succes.Hij wist de groeiende islamitische dreiging in de Sahellanden af te stoppen. Macron wil hier beter doen dan zijn voorganger en Frankrijk weer een voortrekkersrol bezorgen in Europa. Hij wil de Duits-Franse as binnen de EU nieuw leven inblazen en pleit voor meer coherentie tussen de landen van de eurozone, die hij een eigen economisch bestuur en een eigen begroting wil geven. Hij meent dat de Franse economie uit die nieuwe Europese dynamiek kracht zal putten. Het is niet toevallig dat hij de volle steun krijgt van Matteo Renzi, die op zijn 39ste premier werd, en van hervormingsdrang zijn waarmerk heeft gemaakt. Renzi zette even een stapje opzij voor zijn partijgenoot Gentilloni, maar maakt zich in de coulissen klaar om bij de volgende verkiezingen weer het roer over te nemen. Italië lijdt meer nog dan Frankrijk onder een loodzware bureaucratie en machtige vakbonden die met hand en tand de overgereglementeerde arbeidsmarkt en de verworven rechten verdedigen. Er wacht Macron een gigantische berg werk. Iemand zou de Fransen moeten duidelijk maken dat ze hun verwachtingen best wat temperen. Daar zal de curve van zijn populariteit vast wel bij varen.