Politoloog Aaron Friedberg: ‘Xi Jinping ziet zichzelf wellicht als de anti-Gorbatsjov’

Xi Jinping. © iStock
Catherine Vuylsteke
Catherine Vuylsteke Journalist, auteur, filmmaker en sinoloog

Voor de Amerikaanse politoloog Aaron Friedberg is het nu wel duidelijk: westerse leiders hadden ongelijk toen ze dachten dat een beleid van toenadering China zou veranderen. Daar moet ook de bedrijfswereld dringend conclusies uit trekken. ‘We moeten af van onze economische afhankelijkheid van China.’

Peking is de allereerste stad die in nauwelijks een decennium twee keer de Olympische Spelen organiseert. Alleen wordt dat internationale succes overschaduwd door omikron, de dreiging van oorlog in Europa en een diplomatieke boycot. Was George W. Bush in 2008 persoonlijk aanwezig bij de opening, dit keer stuurde het Witte Huis zijn kat. Net zoals het gros van de westerse bondgenoten, al vormden die geen verenigd front. Is de afwezigheid van de Amerikaanse president Joe Biden, zoals sommige commentatoren beweren, een historisch keerpunt in de betrekkingen tussen de twee grootmachten?

‘Het valt kort samen te vatten’, zegt Aaron Friedberg, hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Princeton, in zijn nieuwe boek Getting China Wrong. ‘Het Westen zette de deur open voor China, in de veronderstelling dat het ertoe zou leiden dat het Chinese systeem meer zou gaan lijken op het onze. De toegang tot de markten, hulpbronnen, technologie, onderwijssystemen en knowhow van de geavanceerde samenlevingen maakte China veel welvarender dan het anders zou zijn geworden, maar de verwachte voordelen voor het Westen en de internationale gemeenschap bleven uit. In plaats van een liberale, tot samenwerking bereide partner, is China een rijke, machtige concurrent geworden, repressief in eigen land en internationaal agressief. Ik ben het ermee eens dat er samengewerkt moet worden als er gelijklopende belangen zijn, maar westerse leiders moeten zich niet de illusie maken dat het leidt tot een groter wederzijds begrip of gemeenschappelijke waarden.’

Door Taiwan te veroveren zou China een deel van de technologie verwerven die het nodig heeft om de kloof met de VS te dichten.

Is China te machtig geworden om tegen in te gaan?

Aaron Friedberg: Helemaal niet. We hebben bovendien veel te verliezen. De Verenigde Staten en hun bondgenoten zijn goed voor meer dan de helft van het wereldwijde bnp. Als de VS verder bouwen op de denkbeelden van Donald Trump en in isolationisme wegzinken, zal de democratische wereld gefragmenteerd en verzwakt achterblijven. Dan hebben antiliberale krachten vrij spel. Daarom moeten de VS en de bondgenoten hun alliantie versterken in een beperkt, liberaal, internationaal subsysteem, om van daaruit de eigen normen en waarden beter te verdedigen en te promoten.

Maakte het Westen met zijn politiek van betrokkenheid een cruciale fout?

Friedberg: Misschien toch eerst dit: de integratie van China in de wereldeconomie had ook voordelen voor het Westen. Zowel voor consumenten, als voor producenten en investeerders. Maar er werd voorbijgegaan aan de grote verliezen in termen van jobs, productiecapaciteit en knowhow, én aan de gigantische copyrightschendingen door diefstal of gedwongen overdracht. Dat had men veel sneller en kordater kunnen aanpakken. In plaats van het vooruitzicht van integratie in de internationale orde te gebruiken als motivatie voor de liberalisering van Rusland en China, nam het Westen die landen meteen zo volledig mogelijk op in het systeem, in de hoop dat het hun binnenlandse economische, politieke en sociale transformatie zou versnellen. Eigenlijk getuigt dat van een zeker triomfalisme, alsof het liberale democratische kapitalisme na tweehonderd jaar gewonnen had van al de rest. Dat het beter was dan autocratie, fascisme en communisme.

Na een periode van marktgerichte hervormingen versterkt de Chinese staat nu zijn greep op de economie.

Friedberg: Na de val van de Sovjet-Unie zag China een bedreigende internationale orde, niet alleen in termen van fysieke veiligheid maar ook qua legitimiteit. Geruime tijd was Peking niet bij machte om de status quo aan te vechten, maar het was nooit de bedoeling zomaar lid te worden van de internationale gemeenschap.

Volgens u zag China het westerse engagement altijd als een valstrik.

Friedberg: Er werd van bij de aanvang een tegenstrategie uitgewerkt, waarbij maximaal gebruik moest worden gemaakt van de mogelijkheden terwijl de potentiële gevaren werden uitgeschakeld. Vergeet niet dat we het hier hebben over een leninistische partij. In een dergelijke constellatie staat de partij boven de wet en controleert ze de staat en het leger. Samen oefenen ze macht uit over de samenleving. Vanaf het begin van de opendeurpolitiek in 1979 is de markt een instrument van de staat geweest, een ‘vogel in een kooi’, zoals een collega van de toenmalige leider Deng Xiaoping het stelde. De teugels werden nu en dan gevierd, maar een volledige economische liberalisering was nooit het doel.

Hoe bedoelt u?

Friedberg: De private sector groeide wel, maar de staatsbedrijven bleven dominant. De partijstaat consolideerde zijn kapitaalscontrole en kreeg vanaf 1994 een groeiend deel van het bbp in handen. Hoezeer ook werd gefulmineerd over de inefficiëntie van de staatsbedrijven, tegen het einde van de eeuw waren ze nog goed voor driekwart van alle investeringen, twee derde van alle kapitaal en meer dan de helft van de stedelijke werkgelegenheid. Als je de banken meerekent, stonden ze in voor 45 procent van het bbp. Het doel daarvan is duidelijk: de herbronning van de technocratische staat.

De exportsector was een ander verhaal.

Friedberg: Die mag dan hoofdzakelijk steunen op veelal buitenlands privékapitaal, ook daar was de rol van de overheid doorslaggevend. Door de rurale bedrijven niet te stimuleren, werd de plattelandsbevolking naar de steden gedwongen, waar een harde concurrentiestrijd ontstond voor slechtbetaalde jobs. Tegelijk werd de koers van de yuan kunstmatig laag gehouden, wat goedkope en dus concurrentiële exportgoederen garandeerde.

Als de VS verder bouwen op de denkbeelden van Donald Trump en in isolationisme wegzinken, zal de democratische wereld gefragmenteerd en verzwakt achterblijven.

Veel werd verwacht van de Chinese toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in 2001.

Friedberg: Het Westen was bijzonder verheugd, naïef denkend dat Peking de overeenkomst naar de letter zou na- leven. China’s leiders werden onderschat. In Washington en Londen zagen ze niet welke krachten binnen de Communistische Partij speelden. Hoe vastberaden de machthebbers wel waren en waar ze toe bereid zouden zijn om hun politieke toekomst veilig te stellen. In het eerste decennium van de 21e eeuw oogstten president Hu Jintao en premier Wen Jiabao de successen van het exportgerichte model, maar ze zagen ook de risico’s. De groeiende welvaartskloof, het opdrogen van de eindeloze stroom aan jonge, goedkope arbeidskrachten, de vergrijzing. Dus gingen ze inzetten op hightech, en daarvoor werd de greep op de markt verstevigd. Onder de huidige leider Xi Jinping is technologische vernieuwing het speerpunt geworden van de economische strategie, de sleutel voor elke uitdaging, de basis waarop het land vertrouwt voor de toekomst.

In dat kader werd in 2015 het plan ‘Made in China 2025’ boven de doopvont gehouden.

Friedberg: Dat was een strategie om via overheidssubsidies en protectionistische maatregelen de buitenlandse concurrenten het land uit te werken. Zo kunnen de eigen bedrijven eerst grote delen van de Chinese markt bezetten om vervolgens hetzelfde te doen op internationaal vlak.

U linkt dat niet aan de persoonlijkheid van Xi?

Friedberg: Xi ziet zichzelf wellicht als de anti-Gorbatsjov, een man wiens fouten hij uitvoerig heeft bestudeerd. De hervormingspogingen van de laatste Sovjetleider kwamen te laat en gingen in tegen de gecentraliseerde, antidemocratische principes van het leninisme. Bijgevolg veroorzaakten ze een politieke chaos die het systeem verwoestte.

Xi verschilt niet fundamenteel van zijn voorgangers. De buitenlandse strategie van de Communistische Partij wordt aangevuurd door een mengeling van angst, ambitie en opportunisme. Toch heeft het lang geduurd vooraleer het Westen begreep dat China de internationale instellingen ondergraaft, omzeilt of tracht om te vormen. Tot op heden is daarop geen gecoördineerd antwoord geformuleerd. Dat moet er dringend komen, we staan op het breukvlak. China is een systemische rivaal geworden, die beweert een alternatieve en superieure bestuursvorm te hebben ontwikkeld. In die zin is het land een bedreiging voor onze vrijheid en samenleving.

Hoe zijn we op dit punt beland?

Friedberg: In de jaren 2000 waren er drie gebeurtenissen die voor China een opportuniteit creëerden: de toetreding tot de WTO in 2001, de aanslagen van 11 september datzelfde jaar en de financiële crisis van 2008. Het Westen oogde zwak, verslagen zelfs. Daardoor konden de Chinezen een begin maken met de herschepping van de wereldorde, zodat die minder bedreigend werd en bevorderlijker voor de besten- diging van de eigen macht. De laatste jaren gaat het steeds harder: werd de belofte van de Chinese afzetmarkt vroeger gebruikt om het Westen een bepaalde richting uit te krijgen, sinds 2020 wordt de afscherming ervan steeds meer als dreigement gebruikt. Kijk naar wat Australië in april van dat jaar overkwam: Canberra waagde het om een onderzoek te vragen naar de (Chinese) oorzaken van de coronapandemie en zag prompt importbeperkingen op zijn gerst, rundvlees, wijn en tal van andere producten.

Politoloog Aaron Friedberg: 'Xi Jinping ziet zichzelf wellicht als de anti-Gorbatsjov'

Dat is niet nieuw.

Friedberg: Westerse bedrijven hebben China heel lang verdedigd. Toen de VS in de nasleep van het Tiananmenbloedbad in 1989 China’s status van Most Favoured Nation dreigden op te schorten, waardoor exporteren duurder zou worden, kreeg je een coalitie van maar liefst 800 Amerikaanse bedrijven die Washington onder druk zetten om dat niet te doen. Het ging om grote namen als Boeing, Ford, Exxon, GE, Motorola, Coca- Cola en McDonald’s, die allemaal dachten aan hun productiebasis of afzetmarkt. Bovendien wisten ze dat China ondertussen hun concurrenten in Japan en Duitsland benaderde. Ze hebben hun zin gekregen.

De afgelopen jaren zien we evenwel meer en meer bedrijven die na een gedwongen technologieoverdracht uit de Chinese markt worden weggeconcurreerd door binnenlandse rivalen. Denk aan de producenten van zonnepanelen. Dat heeft de eensgezinde, pro-Chinese houding van de internationale zakengemeenschap ondermijnd.

U vindt dat we nog meer kunnen leren van Australië, met name in de zaak van de onderzeeërs.

Friedberg: Het feit dat Canberra in september vorig jaar een deal opzegde met Frankrijk – ten belope van 56 miljard dollar – is veelzeggend: het geeft aan hoe bang de landen in de regio wel zijn geworden voor de Chinese militaire opmars. Er is te elfder ure gekozen voor onderzeeërs van de VS, vanuit het besef dat een bondgenoot als Frankrijk daarmee werd verraden. Geen simpele beslissing dus, maar wel ingegeven door de wetenschap dat Washington toch de beste veiligheidsgaranties biedt. Europa moet die angst ter harte nemen. Wat nu geldt voor de regio, kan straks opgaan voor de hele wereld.

In dat opzicht noemt u Taiwan een symbooldossier.

Friedberg: Door Taiwan te veroveren zou China zijn regionale dominantie versterken en een deel van de technologie verwerven die het nodig heeft om de kloof te dichten met de VS. Door Taiwan níét te verdedigen zou Amerika zijn regionale allianties onderuithalen en zijn geloofwaardigheid ondermijnen. Misschien zou Taiwan, net zoals Berlijn tijdens de Koude Oorlog, moeilijk te verdedigen zijn, maar tegelijk is het gevaarlijk om het te laten schieten.

De loskoppeling van China die u voorstaat, zal westerse bedrijven en consumenten veel geld kosten.

Friedberg: We moeten af van onze afhankelijkheid, zowel voor de productiebasis als voor de afzetmarkt, omdat die ons veel te kwetsbaar maakt. Dat is wellicht de belangrijkste les uit de covidcrisis, toen bleek dat we zowel voor mondmaskers als voor bepaalde chemicaliën op China aangewezen waren. Dat betekent in de toekomst inderdaad duurdere producten en mogelijk kleinere winstmarges. Daar moet je de burgers rond sensibiliseren. Bedrijven moeten met ontmoedigende en ondersteunende maatregelen worden aangespoord om te doen wat nodig is. Commerciële belangen verzoenen met het nationale, strategische belang zal evenwel niet eenvoudig zijn, vooral niet aangezien veel grote bedrijven wereldspelers zijn.

Daarnaast heeft het Westen behoefte aan een veel sterkere verdediging tegen wetenschappelijke en industriële spionage, en aan betere wetten tegen diefstal van intellectuele eigendom. Chinese bedrijven die steunen op gedwongen technologietransfers moeten worden bestraft met exporttarieven, en hun fondsenwerving op de westerse kapitaalmarkten moet aan banden worden gelegd. China is niet zomaar een normale handelspartner, Chinese investeringen moeten veel strenger worden gescreend.

Westerse leiders moeten volgens u ook openlijker en vastberadener tegen China ingaan.

Friedberg: Ze hadden ongelijk toen ze dachten dat een beleid van toenadering China zou veranderen, maar met hun verdediging van universele waarden was niets mis. Evenmin vergisten ze zich toen ze stelden dat het land meer gebaat zou zijn bij een liberaler bestuur, zowel qua welvaart en vrijheid voor de Chinese burgers als voor de hele wereld. Dat geldt nog steeds. Door te zwijgen lijkt het alsof ze de onontkoombaarheid van een eeuwig communistisch bestuur hebben geaccepteerd. Dat hoeft niet zo te zijn: we moeten democratisering en liberalisering blijven zien als een mogelijkheid, een streefdoel.

Aaron Friedberg

– 1956: geboren in Pittsburgh (VS)

– 1986: doctoraat in bestuurskunde (Harvard)

– Sinds 1999: professor politieke en internationale betrekkingen aan Princeton. Verbonden aan het German Marshall Fund

– 2003-2005: adviseur nationale veiligheid van vicepresident Dick Cheney

– Publiceerde talloze boeken over strategische relaties in Azië, de VS en de Koude Oorlog

– Publiceert deze maand Getting China Wrong

Partner Content