Farouq trekt de roestkleurige deur met een zwaai open. Er waait een warme geur naar buiten die doet denken aan een stal. Over de hele vloer liggen donkergrijze zakken, dicht tegen elkaar. De zakken lijken te bewegen, maar in het flauwe licht valt niet te onderscheiden hoe dat komt. Plots verschijnt er een hand tussen de lagen stof. De hand wordt een hele arm. Tenslotte verschijnt een gezicht met rode wangen en een zwarte ringbaard. Het wordt duidelijk: Het zijn geen zakken. Het zijn mensen. Tientallen mensen. Gewikkeld in donkergrijze dekens om de ijskoude stenen vloer niet te voelen.
...