Ik sluit mijn reis langsheen de buitenranden van Europa af met een bezoek aan Algerije en Marokko, twee landen die onze ministers almaar vaker bezoeken om er te praten over samenwerking rond vluchtelingen en migranten. Ze worden allebei bestuurd door autoritaire regimes: het ene land door een president voor het leven, het andere door een machtige monarch. Maar in beide gevallen blijken die sterke mannen bijzonder kwetsbaar.
...

Ik sluit mijn reis langsheen de buitenranden van Europa af met een bezoek aan Algerije en Marokko, twee landen die onze ministers almaar vaker bezoeken om er te praten over samenwerking rond vluchtelingen en migranten. Ze worden allebei bestuurd door autoritaire regimes: het ene land door een president voor het leven, het andere door een machtige monarch. Maar in beide gevallen blijken die sterke mannen bijzonder kwetsbaar. Ik ben in Algiers, de hoofdstad van Algerije. De snelweg die de luchthaven met het centrum verbindt, leidt me langs een gigantische bouwwerf. Hier wordt een nieuwe moskee opgetrokken, met een liefst tweehonderd meter hoge minaret. Mannen zijn in de weer met lasapparaten en takels. Vrachten stalen balken liggen klaar voor montage. Maar de mannen noch het staal zijn Algerijns, ze zijn Chinees. En dat op een moment dat de werkloosheid in dit land naar schatting oploopt tot 15 procent. 'Het is een schande!' roept mijn taxichauffeur. 'Het is een prestigeproject - niet voor maar ten koste van de gelovigen. Bidden, allemaal goed en wel. Maar de mensen hier willen vooral wérken.' De toon is gezet. Terwijl de chauffeur honderduit praat, flitst door mijn hoofd dat mijn eerste taxiconversatie in Istanbul, enkele maanden geleden, bijna dezelfde analyse opleverde: mensen hebben heus wel door dat de politieke klasse religie gebruikt om economische mistoestanden te verdoezelen.Deze luchthavenlaan, mijn eerste kilometers op Algerijnse bodem, voert me langs bijna alle grote problemen waarmee Algerije worstelt. Naast de moskee strekt zich een olieraffinaderij uit, maar de inkomsten uit olie- en gasinvoer zijn geslonken van 75 miljard dollar in 2011 naar 27 miljard dollar in 2017. Dat woog zwaar op het overheidsbudget en leidde tot stakingen. Aan de andere kant van de weg ligt de parking van een groot winkelcentrum er verlaten bij. 'Wat wil je? Wij worden almaar armer en alles in de winkels wordt almaar duurder. Wat denkt u dat die barman daar verdient? Maximaal 30.000 dinar (210 euro, nvdr.) per maand, terwijl de maandelijkse huur van een klein appartement in de rand van de stad 25.000 dinar bedraagt.' Aan het woord is Lila Massi, een rechtenstudent. Ik ontmoet haar samen met haar jaargenote Djamila Taoufik in de buurt van de Kathedraal van het Heilig Hart. Het gebouw heeft de merkwaardige vorm van de koeltoren van een kerncentrale. Rondom heerst bedrijvigheid. Kramen puilen uit met verse vis, groenten en fruit. 'Ondanks de olie en het gas is onze economie nooit echt sterk geweest. De regering int het geld en verdeelt het via overheidsbedrijven. Zo hield ze zichzelf in stand, maar echt privéondernemerschap is er daardoor nooit gekomen.' 'Wat valt eraan te doen?' pols ik. 'Op korte termijn? Niets', antwoordt Djamila. 'Mensen weten het niet meer. Wie kan vertrekken, vertrekt.' Algerije telt 41 miljoen inwoners en die bevolking groei snel. Dat de toestand in het land precair is, benadrukt iedereen tijdens mijn bezoek. En niets toont dat dramatischer aan dan de fysieke toestand van zijn staatshoofd: de 81-jarige president Abdelaziz Bouteflika. Hij is aan zijn rolstoel gekluisterd; diplomaten zeggen me dat zijn stem zelfs te zwak is om een conversatie te voeren. 'Het kan elk moment gedaan zijn met hem - en dan zal de hel losbreken', waarschuwt een Franse diplomaat. 'Het leger, de inlichtingendiensten en oligarchen zullen vechten om de macht. Nu al proberen ze zich te verzekeren van de steun van buitenlandse spelers: Europa, de Verenigde Staten, Saudi-Arabië, Turkije, Qatar en zelfs Iran. Algerije dreigt opnieuw een strijdperk te worden, met energie, repressie en religie als wapens.' De burgeroorlog die hier tussen 1991 en 2002 woedde, was uitgebroken in een context van onzekerheid, hoge werkloosheid, corruptie en inflatie. Het Islamitische Bevrijdingsfront (FIS) had de bevolking toen gemobiliseerd door in te spelen op haar ontevredenheid; het werd bewapend via de Moslimbroeders, aanvankelijk door Libië en Saudi-Arabië, nadien wellicht door Iran en Qatar. De gelijkenissen tussen de economische problemen aan het begin van die oorlog en de huidige toestand zijn groot. Tezelfdertijd blijkt de macht van Bouteflika's regering een weerspiegeling van de aardgasprijzen: een steile klim vlak na de burgeroorlog, stagnatie sinds pakweg 2012, en snelle verzwakking sindsdien. Kan de bevolking niet gewoon in opstand komen, zonder islamextremisten achterna te hollen en via verkiezingen? De volgende stembusgang dient zich in 2019 aan. 'Mensen geloven er niet meer in. Ze gaan gewoon niet stemmen', verklaart opnieuw Lila Massi. 'Enerzijds willen ze verandering, anderzijds willen ze niet terug naar het geweld van vroeger. Het is ieder voor zich.' Het is tijd om te vertrekken, naar buurland Marokko. De landsgrenzen tussen Algerije en Marokko zijn gesloten, dus moet ik opnieuw het vliegtuig in. In vergelijking met het Algerijnse regime lijkt de Marokkaanse koning veel steviger in het zadel te zitten. Mohammed VI wordt in Europa gezien als een verlichte monarch die garant staat voor een gematigde islam. Maar wat is daarvan aan? Sinds mijn laatste bezoek aan Tanger blijkt nog meer van de grillige kustlijn te zijn ingenomen door havendokken: voor luxejachten, voor tankers en voor containerschepen. Geografisch is Tanger de synaps tussen het Europese en Afrikaanse continent én tussen de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee. Het is de commerciële poort tussen vier werelden. Tot nog toe zag de Noord-Marokkaanse stad de gigantische schepen op weg naar Rotterdam en Antwerpen vooral voorbijvaren, maar nu wil ze een deel van de koek. 'Tanger is de favoriete bestemming van buitenlandse investeerders in heel Afrika', zegt havenmanager Ahmed El Ftouh, terwijl hij enthousiast gesticuleert. 'En dit is nog maar het begin.' Marokko groeit. Overal worden kantoorgebouwen opgetrokken. Villawijken schieten als paddenstoelen uit de grond. Het is het meest stabiele land in de regio; politici wereldwijd bewieroken de pragmatische hervormingen van het koningshuis. Als kers op de taart wil Marokko in 2026 het WK voetbal organiseren. Voorlopig geven de dokken in het noorden van Tanger een desolate aanblik. Een enkel bulkschip ligt er aangemeerd. Er zijn genoeg redenen om het Marokkaanse groeimirakel voorzichtig in te schatten. Ondanks het succes van de auto-industrie heeft het land een groeiend handelstekort. Ook de overheidsschuld is opgelopen. De grote investeringszones in Tanger komen mij voor als een oase, een plek van groei die niet gedragen wordt door de rest van de economie. Klopt die indruk? Ik ga te rade bij een Franse ondernemer die hier al twintig jaar woont. 'Marokko brengt grote offers om investeerders aan te trekken. Ze krijgen de grond bijna voor niets en genieten uitzonderlijke belastingvoordelen. Maar in deze stad, waar een klein miljoen mensen woont, leveren ze niet eens 70.000 banen', klinkt het. 'Het oogt allemaal groots, maar door een gebrek aan goed onderwijs en door de toevloed van buitenlandse goederen en diensten is er te weinig lokaal ondernemerschap.' Als ik de situatie in Marokko geografisch probeer samen te vatten, prijkt de noordelijke kustvlakte, tussen Casablanca en Tanger, op de kaart als het machtscentrum. Hier ligt de thuisbasis van de koninklijke familie en de industrie. Deze groene vlakte staat onder economische invloed van Frankrijk en religieuze invloed van het Saudi-Arabische koningshuis. In de buurt van deze microkosmos van marmer, jachten en paleizen mag zich, ver genoeg verwijderd van de Rivièra, een kleine nieuwe middenklasse neervlijen, in geordende betonnen blokjes in kunstmatige woonwijken, achter televisieschermen die zowel Europese merken als pelgrimstochten naar Mekka promoten. Hier wordt gewerkt om te consumeren. Rondom dat hartland wonen miljoenen Marokkanen in kleine dorpen, in de heuvels, in het Atlasgebergte en in de voorlopers van de Sahara. Dit is de uitgestrekte periferie van Marokko. Burgers zijn hier een stuk armer. En terwijl het hartland overwegend Arabisch is, wordt deze periferie bevolkt door Berbergemeenschappen. Eigenlijk is dat een voortzetting van de geschiedenis. Sinds zijn oprichting in de 17e eeuw probeert het Arabische koningshuis de Berbers onder de duim te houden. De belangrijkste strategie daarbij bestond steevast in de controle van economische contacten tussen het hardleerse hinterland en de rest van de wereld, en dat doet de Alaoui-dynastie nog altijd. De koninklijke familie controleert met de Nationale Investeringsmaatschappij 5 miljard euro. Met monopolies bepaalt zij wie er rijk wordt en wie niet. Over de snelweg van de kustvlakte door het Atlasgebergte lijkt elke reis op een tijdreis, met op de ene rijstrook auto's en op de andere karren, door traag sjokkende ezels voortgetrokken, net zoals dat al honderden jaren gebeurt over deze karavaanweg tussen de Golf van Guinee en de Middellandse Zee. Hoe kijken de mensen hier naar de situatie? Over het koningshuis wil niemand veel kwijt, en ondanks de armoede hoor je zelden dat het slechter gaat - in tegenstelling tot wat in veel andere Noord-Afrikaanse landen weerklinkt. Veel jongeren slingeren wel tussen de traditie van de bergen en de moderniteit van de vlakte, tussen hun Berberse trots op zelfredzaamheid en afhankelijkheid. Ze leven in een sociaal en cultureel niemandsland. In Aït-Ben-Haddou, de stad die bekend is vanwege haar tegen een heuvel aangebouwde kashbahs, spreek ik met Gwafa Awzal, een gids van in de vijftig. Zijn drie zonen waren naar Casablanca getrokken om er te werken. Twee zijn teruggekeerd. 'Je kunt er werken, maar niet genoeg verdienen om er te wonen', zegt hij me. 'Bovendien waren mijn zonen er eenzaam. Ze hoorden nergens echt bij. Hier helpen we elkaar uit de slag.' Vanuit de Atlas rijd ik via de oude saffraanroute naar de kust. De zwaluwen zitten onder het lentezonnetje klaar om naar Europa te vliegen. Ikzelf ook. Met de oceaan in zicht heb ik het einddoel van mijn reis bereikt, een reis die mij van de Atlantische Oceaan in Groenland via Oost-Europa, de Balkan en het Midden-Oosten terug bij de Atlantische Oceaan heeft gebracht, in een klein Marokkaans vissersdorpje. Ondanks zijn groei is Marokko kwetsbaar. De middelen om de stabiliteit af te kopen zijn beperkt, en veel Marokkanen voelen zich ongemakkelijk bij de aard van de vooruitgang. Tijdens mijn reis rond Europa ben ik vaak geconfronteerd met geopolitieke uitdagingen, en als er íéts bijdroeg aan politieke onzekerheid, migratie en extremisme, dan was dat keer op keer een ontwikkelingsmodel dat onvoldoende kansen bood. Kansen op welvaart, op waardigheid en op geborgenheid. Ook Europa zal daarmee in het reine moeten komen. Met prikkeldraad rond een verdeelde samenleving zullen we het heus niet redden.