Sinds de Tweede Wereldoorlog werd het Amerikaanse buitenlandse beleid bepaald door één centraal objectief: wereldleiderschap. Na een aanslepend conflict met Groot-Brittannië in de negentiende eeuw, de expansie van Japan en het Duitse Keizerrijk aan het begin van de twintigste eeuw, en de opmars van nazi-Duitsland en vervolgens de Sovjet-Unie was de conclusie van de strategen dat de beste manier om het Amerikaanse continent te beveiligen bestond uit universele machtsprojectie. Defensie werd dominantie. In de recentste Nationale Veiligheidsstrategie werd die aspiratie nog eens bevestigd door toenmalig president Barack Obama: 'Elk beleid om de veiligheid van de Amerikaanse natie te waarborgen, begint met een onmiskenbaar feit: Amerika moet leiden. De vraag is niet zozeer of wij zullen leiden, maar hoe we zullen leiden.' Maar is dat Amerikaanse leiderschap nog wel zo standvastig?
...

Sinds de Tweede Wereldoorlog werd het Amerikaanse buitenlandse beleid bepaald door één centraal objectief: wereldleiderschap. Na een aanslepend conflict met Groot-Brittannië in de negentiende eeuw, de expansie van Japan en het Duitse Keizerrijk aan het begin van de twintigste eeuw, en de opmars van nazi-Duitsland en vervolgens de Sovjet-Unie was de conclusie van de strategen dat de beste manier om het Amerikaanse continent te beveiligen bestond uit universele machtsprojectie. Defensie werd dominantie. In de recentste Nationale Veiligheidsstrategie werd die aspiratie nog eens bevestigd door toenmalig president Barack Obama: 'Elk beleid om de veiligheid van de Amerikaanse natie te waarborgen, begint met een onmiskenbaar feit: Amerika moet leiden. De vraag is niet zozeer of wij zullen leiden, maar hoe we zullen leiden.' Maar is dat Amerikaanse leiderschap nog wel zo standvastig? Het streven naar dominantie is niet typisch Amerikaans. Alle grootmachten hebben gestreefd naar dominantie, en doorheen de hele geschiedenis heeft dat frustratie veroorzaakt bij anderen. De VS zijn er gewoon het recentste voorbeeld van, en ze zijn ook de eerste mogendheid die de dominantie zo verpletterend heeft uitgebouwd op een wereldwijde schaal. Hoe diep de nijd ten aanzien van Washington bij sommigen ook zit, en hoezeer men dat land ook als een kwaadaardige speler beschouwt, ik zou er niet zo zeker van zijn dat mogelijke nieuwe heersers per definitie meer welwillend zullen zijn. Net als hun voorgangers beloofden ook de Amerikanen bij de start van hun klim naar de internationale top dat zij hun macht verantwoord en ten dienste van de hele mensheid zouden aanwenden. Dat bleek achteraf soms wat minder fraai uit te draaien. Laten we de discussie over de Amerikaanse macht dus niet als een ethische kwestie voeren, maar ons hier gewoon afvragen hoe bestendig die macht is. Voor mij hebben de VS nog altijd een aantal belangrijke troeven achter de hand. De relatief geïsoleerde geografische positie, ver weg van de meeste andere grootmachten, laat het land toe zijn macht geconcentreerd in te zetten en vooral verdeeldheid te zaaien tussen de rivalen in Eurazië. Terwijl de Euraziatische grootmachten alle grenzen rond zich in de gaten moeten houden, fungeren de Stille en de Atlantische Oceaan voor de Amerikanen als een buffer- misschien niet ondoordringbaar, maar toch een extra bescherming. Daarnaast zijn de VS voor bijna alle grondstoffen zelfvoorzienend, groeit de bevolking en leiden ze in het wetenschappelijk onderzoek. Het machtspotentieel zit dus nog altijd goed. Het probleem zit 'm bij het omzetten van dat potentieel in effectieve macht en invloed. De productiviteit van de economie groeit maar heel traag, en enorm veel arbeidskrachten worden weggemarginaliseerd, vooral als gevolg van een gebrek aan onderwijs en sociale mobiliteit. Bijna een kwart van de Amerikaanse bevolking kan niet goed lezen. De armoede is sinds 2000 blijven toenemen. Een flink stuk van de welvaart zit zodanig geconcentreerd bij enkele bedrijven en rijken dat er nauwelijks nog geïnvesteerd wordt in de publieke infrastructuur die de economische groei mogelijk maakt. Terwijl er duizenden miljarden dollars nodig zijn om dat tekort weg te werken, staan duizenden miljarden dollars geparkeerd in belastingparadijzen. Die ongelijkheid draagt bij tot de sociopolitieke versplintering van Amerika: nooit was het politieke wantrouwen zo groot, nooit was de kloof tussen Republikeinen en Democraten zo wijd, en zelden sinds de jaren zeventig waren er zulke spanningen tussen etnische groepen. Het gebrek aan efficiëntie om economisch potentieel om te zetten in welvaart voor iedereen ondermijnt de politieke efficiëntie. President Donald Trump verzwakt bewust een aantal administraties, en bij de volgende verkiezingen dreigt het land politiek helemaal uiteengereten te worden. Als gevolg van die interne verzwakking neemt ook de externe invloed af. Terwijl Amerika stagneert, groeien andere landen - met China op kop - sneller en maken zij gebruik van de malaise om hun eigen aanzien te vergroten. Hun invloed wordt nog eens versterkt doordat Washington, ondanks de boom van schaliegas, nog altijd afhankelijk blijft van buitenlands krediet. Ook de militaire slagkracht staat onder druk. Het vermogen om meerdere conflicten tegelijkertijd de baas te kunnen in de wereld wordt daardoor aangetast. Het valt moeilijk te voorspellen of die verzwakking zich zal doorzetten, en of de Amerikaanse samenleving veerkrachtig genoeg is om de malaise te boven te komen. Critici van de VS mogen de verzwakking misschien toejuichen, maar de vraag blijft wie erop zal inspelen en vooral: hoe.