Die dag stopte saxofonist Charlie Parker, koning van de bebop, nog een muntje in de jukebox. Alweer een countrysong over hartzeer en hoop op betere tijden vulde het café. 'Waarom luister je toch naar die vreselijke muziek?' vroeg jazzjournalist Nat Hentoff hem. Parker leunde wat dichter bij de Wurlitzer en fluisterde: 'Luister naar de verhalen, man.'
...

Die dag stopte saxofonist Charlie Parker, koning van de bebop, nog een muntje in de jukebox. Alweer een countrysong over hartzeer en hoop op betere tijden vulde het café. 'Waarom luister je toch naar die vreselijke muziek?' vroeg jazzjournalist Nat Hentoff hem. Parker leunde wat dichter bij de Wurlitzer en fluisterde: 'Luister naar de verhalen, man.' Als er vandaag iemand in de jazz is die Parkers fascinatie begrijpt, is het wel gitarist Julian Lage. Ooit was hij een wonderkind. Vandaag, op zijn 31e, staat hij te boek als een van de grootste virtuozen van de New Yorkse scene. Zijn gitaar brengt hem van de avant-gardekringen van John Zorn tot de western swing-podia van Nashville. Op 20 maart kunt u hem aan het werk zien op het uitstekend gestoffeerde Leuven Jazz-festival. Vergeet niet om af en toe uw mond weer dicht te doen. Hoe oud was u toen u gitaar begon te spelen? JulianLage: Vijf jaar. Niet dat het me werd opgedrongen. Mijn vader, die kunstenaar en dus ook kelner was, begon toen gitaar te spelen en dat maakte me nieuwsgierig. Op mijn kamer hing een manshoge poster van Bruce Springsteen, met zijn Fender Telecaster-gitaar. Papa was handig: hij calqueerde de gitaar op de poster, tekende ze op een stuk triplex, en zaagde ze uit. Dat was mijn eerste gitaar. Ik heb ze nog altijd. Wanneer kregen uw ouders door dat u uitzonderlijk getalenteerd was? Lage: Als kind voel je dat niet zo aan. Ik kreeg wel een beetje gitaarles en ze steunden me, maar de aandacht werd netjes verdeeld onder de vijf kinderen. Op uw achtste werd er een film over u gemaakt, u speelde met Carlos Santana op uw twaalfde. Het gemiddelde wonderkind is tegen dan aan de coke en is een oncontroleerbare etter tegen zijn vijftiende. Hoe hebt u de klassieke valkuilen weten te omzeilen? Lage:(snel) 'Wonderkind' is een term die je me nooit zelf zult horen gebruiken. Ik was vooral heel gefocust. Het enige wat voor me telde was vakmanschap, om het met een ouderwets woord te zeggen. Ik wist dat ik, als ik het niveau wilde bereiken waarop ik wilde meedraaien, me niet mocht laten afleiden. Veel mensen denken dat het hele wonderkindgedoe lastig is, maar dat is het helemaal niet. Ik heb nooit druk gevoeld. Ik had gewoon van jongs af aan een stevig werkethos. Alleen mensen die echt van zichzelf denken dat ze een wonderkind zijn, liggen daar soms mee in de knoop. Op uw nieuwe album, Love Hurts, speelt u composities van pianist Keith Jarrett en free-saxofonist Ornette Coleman. Dat is geen evidente keuze op gitaar. Waarom doet u zichzelf zoiets aan? Lage: Ik wist niet zeker of het wel zou werken op gitaar. Maar ik heb altijd een verwantschap gevoeld met Keith als componist: hij is zo melodisch, virtuoos en toch soulful. Een improvisator van de hoogste orde. Wat een held. Ik dacht: als ik het nu eens probeer met zijn meest melodische materiaal, zoals The Windup en Encore (A), van zijn Europese en zijn Amerikaanse kwartet, dan maak ik misschien een kans. Ik beschouwde het als studiewerk dat mijn appreciatie voor hem alleen maar kon vergroten. En dan merk je dat die songs op zich staan als een huis, ze stijgen boven Keiths pianospel uit. Maakt echt niet uit op welk instrument je ze speelt. Dat gezegd, het timbre van de elektrische gitaar blijkt zeer geschikt om ze te brengen. Net zoals binnen Jarretts improvisaties loopt er een grote spanningsboog over uw recente albums, van Arclight via Modern Lore tot Love Hurts gaat het van lyriek via vroege rock-'n-roll tot country. Wordt u binnen de jazzwereld weleens scheef bekeken vanwege uw ongewone voorkeuren? Lage:(grijnst) In theorie heb je gelijk: ik ben vanuit de jazz ergens linksaf geslagen. Maar laat je niets wijsmaken: de jazzgemeenschap bestaat voor het overgrote deel uit mensen met een heel open geest. Het blijft een undergroundgemeenschap met een eigen logica. Zelfs in tijden waarin de jazz populairder was dan vandaag bleef het een apart heiligdommetje waarin je ongewone keuzes mocht maken. U bent nu 31. Je zou verwachten dat u met het ouder worden wat zachter zou worden, maar uw muziek lijkt steeds meer te schuren. Lage: Precies! Het heeft er zeker mee te maken dat ik Love Hurts heel snel wilde maken. Ik creëerde voor mezelf een omgeving die me een schop onder mijn kont gaf. Ik reisde naar de studio van Wilco-frontman Jeff Tweedy in Chicago. Ik had niet eens mijn eigen gitaar meegenomen, ik mocht een van zijn fantastische Telecasters gebruiken. Ik had niet eens mijn vaste bandleden uitgenodigd! En kijk, in anderhalve dag stond alles op band. Met grove korrel en al. Er zijn vast jazzliefhebbers die een plaat met Keith Jarrett-klassiekers én countrysongs zoals Love Hurts en Crying een rare spreidstand zullen vinden. Lage: In mijn hoofd klopte het helemaal. Ik zocht songs die je hart breken. En dat betekent niet noodzakelijk dat ze droevig zijn. In de muziek van Ornette Coleman zit bijvoorbeeld heel veel blijdschap, maar zó veel dat je gemoed ervan volschiet. Als je emotionaliteit zo bekijkt, is het de natuurlijke gang van zaken dat je ook bij de country uitkomt, én bij de brug tussen bebop en avant-garde, bij americana en de muziek van de jaren zeventig. Met die insteek stelde ik een playlist voor in de auto samen, en dan maakte ik er mijn eigen versie van. Eigenlijk vertelt u, die uitspraak van Charlie Parker in gedachten, verhalen voor uw luisteraars, toch? Lage:(stilte) Dat is cool. Dat vat mijn werk samen, ja. Dat is wat me als componist telkens weer uitdaagt: hoe vertel je netjes je verhaal van A tot Z, zonder dat je tussendoor de moed verliest om op ontdekkingsreis te gaan? Op een dag bots je op een liedje als Crying van Roy Orbison, en besef je: dus zó hoor je een song te schrijven! Ik moest voor mezelf toegeven: hier kan ik niet tegenop. Iets beters kan ik niet schrijven, dus cover ik liever de meester. De gitaar is bezig aan een opvallende comeback in de jazz. In de VS is de virtuozenschool nog dominant, maar in Europa lijkt alles om atmosfeer te draaien - denk maar aan de Noordse soundscapes van Jakob Bro. Trekt die weidse aanpak u aan? Lage: Zeker. Kon ik het maar. Ik ben nogal van de letterlijke school: ritmes, noten en akkoorden, dat is mijn winkel. Maar ik ben zo slecht met die atmosferische echo-effecten. Mijn abstractie zit in de orkestratie, om niet te zeggen: in de reductie. Ik doe, zoals je suggereerde, aan een abstracte manier van storytelling. Mijn melodie is een condensatie van de woorden van het verhaal. Terwijl die andere jongens een abstractie in sfeer en tijd maken. Daar ben ik best jaloers op. Tot slot: uw oude mentor Jim Hall bood u ooit een plek in zijn band aan. Wat is het belangrijkste wat u van hem hebt geleerd? Lage: Ik leerde hem kennen toen ik een jaar of elf was, na een concert. Toen ik naar New York verhuisde, begonnen we samen concerten te spelen. Hij was de minst pretentieuze man die ik ooit heb gekend. Hij was degene die me liet inzien dat de jazzcanon geen stijve bedoening hoeft te zijn - ik luisterde toen vooral naar bluegrass, en dat vond hij best. Jim liet me inzien wat het betekent om een jazzgitarist te zijn: een bevrijd, improviserend, interagerend mens. Elke zondagochtend belde hij me. Hij stelde zich dan niet voor, maar vroeg meteen met zijn bromstem: 'Wat is het eerste akkoord van All the Things You Are?' 'F mineur 7, mijnheer.' 'Zeer goed. Dit is Jim, by the way.' Kijk, daar heb je wat aan in het leven.