Ik hou van Italië, en vooral van zijn geschiedenis: het Italië van de versterkte dorpen genesteld in groene heuvelruggen, het Italië van de rennaissancesteden, van fresco's verborgen in kloosters, van vakmanschap en culinaire traditie. Maar ik vermoed dat elke bezoeker zich achter de oren krabt terwijl hij de pracht van de historische centra verlaat en zich opnieuw een weg baant door een zoveelste stadsrand van lelijke industrie, erbarmelijke wegen en fantasieloze woonblokken. Wat is er met dit land gebeurd tussen pakweg de zeventiende eeuw en vandaag - en vooral: waar gaat het naartoe?
...

Ik hou van Italië, en vooral van zijn geschiedenis: het Italië van de versterkte dorpen genesteld in groene heuvelruggen, het Italië van de rennaissancesteden, van fresco's verborgen in kloosters, van vakmanschap en culinaire traditie. Maar ik vermoed dat elke bezoeker zich achter de oren krabt terwijl hij de pracht van de historische centra verlaat en zich opnieuw een weg baant door een zoveelste stadsrand van lelijke industrie, erbarmelijke wegen en fantasieloze woonblokken. Wat is er met dit land gebeurd tussen pakweg de zeventiende eeuw en vandaag - en vooral: waar gaat het naartoe? Dat gevoel bekroop me opnieuw toen mijn trein eerder deze maand in Genua traag vertrok uit station Piazza Principe. Ik had de keuze tussen een wagon zonder airconditioning en een diepvriezer. Italiaanse treinen lijken me overigens ontworpen om er zoveel mogelijk verschillende onderdelen in kwijt te kunnen, als rijdende Lego-constructies - alles om de lokale economie een duw te geven. De Ponte Morandi, die het vorige week begaf, passeerde ik niet, maar er waren genoeg andere bruggen, torens, masten en wissels die er vervaarlijk verouderd uitzagen. Ondanks de noordpooltemperaturen in mijn wagon was ik vaak blij dat de trein niet te snel reed. Genua is wederom zo'n stad met een fabuleuze geschiedenis en ligging, de voeten in de blauwe zee en de romp in de groene voorlopers van de Apennijnen. Ooit regeerde de stad over zowat de halve Middellandse Zee, nu wordt ze zelf geregeerd door onzekerheid. Mensen trekken er weg of sluiten zich op. Sinds 2010 zijn zo'n 15.000 inwoners, vooral jongeren, geëmigreerd, naar Rome, Milaan en Duitsland. De rest sluit zich binnen op. De rijken doen dat ver buiten het centrum, in ommuurde villa's, de minder gegoeden in kleine appartementen. Zelfs de restaurantsector voelt dat. 'Vroeger hing Italia aaneen door eten. Iedereen zat 's middags en 's avonds samen aan tafel', vertelt Andrea, de uitbater van de fijne Trattoria Maria Del Porto. 'Dat is gedaan. Mensen blijven op kantoor en kruipen 's avonds zo snel mogelijk achter de televisie.' De mama's van de Miracoli-reclame zijn verdwenen. Andrea's relaas wordt bevestigd door Filippo Queirolo, die de internationale uitstraling van Genua moet verbeteren. 'Het zijn vooral de toeristen die oog hebben voor de schoonheid en het potentieel van ons land. De Italianen zelf zijn cynisch geworden, erg materialistisch ook en compleet verslaafd aan onzinnige televisie. Het culturele en sociale leven is erg verschraald.' Er is een kleine tegenbeweging, dat moet gezegd: straatkunstenaars zijn volop actief in Genua, en een nieuwe generatie koks wil de Italianen weer met z'n allen aan tafel krijgen. Maar het blijft een moeizame strijd, en de publieke ruimte wordt vandaag vooral opgevuld door Afrikaanse migranten en Aziatische handelaars. Dit is het Genua dat Ilja Leonard Pfeijffer zo meesterlijk beschreven heeft. Het Genua van de Via di Prè, waar het in de smalle steegjes niet langer ruikt naar pizza of gegrilde zwaardvis, maar naar bakbananen, haarlak en urine. Het kolkt in de stegen, dat wel, maar het is er groezelig. Voor de bezoeker die hier kort verblijft is de veelzijdigheid, het contrast tussen de Via di Prè en de stadspaleizen van de Via Garibaldi, fascinerend. Voor de oorspronkelijke bewoners is het anders. Terwijl het Genua van de Italianen zich beetje bij beetje terugtrekt, wint dit nieuwe Genua, waar jonge Afrikaanse mannen stoer met pitbulls paraderen, zonder schroom op stimulerende qatblaadjes kauwen of bij luide rapmuziek bier drinken, zichtbaar terrein. En met de terreinwinst van de migranten heeft ook de rechtse politiek links van de macht verdreven. Migratie blijft een bepalende factor, ook in de rest van Italië. Terwijl veel Italianen wegkruipen in de eigen huiselijke cocon, is de frustratie over de politiek alleen maar gegroeid. De economische crisis droeg al bij tot het politieke wantrouwen, en sinds het uitbreken van de migratiecrisis heeft liefst 78 procent van de Italianen geen vertrouwen meer in de nationale politiek - voor 2010 was dat nog 60 procent. En dat wantrouwen vergroot de verdeeldheid van het land. Zelfs de grootste partij, de Vijfsterrenbeweging, heeft vandaag de steun van amper 13 procent van de bevolking, ondanks 227 zetels in de Kamer. De klungelige reactie van die partij op de ramp met de Ponte Morandi en op nieuwe economische onzekerheid doet haar nu al dalen in de peilingen. Italiës brokkelbruggen zijn het symbool van een verbrokkelend land.