Troostelozer dan dit wordt het niet: links van de weg een eindeloze aaneenschakeling van plastic serres, geprangd tussen bergen en zee. Rechts een handvol containers volgepropt met gescheurde zeilen, het terrein rondom bezaaid met kleinere stukjes plastic en andere rotzooi.
...

Troostelozer dan dit wordt het niet: links van de weg een eindeloze aaneenschakeling van plastic serres, geprangd tussen bergen en zee. Rechts een handvol containers volgepropt met gescheurde zeilen, het terrein rondom bezaaid met kleinere stukjes plastic en andere rotzooi. Welkom in de provincie Almería, het enige stukje Spanje dat ook vanuit de ruimte moeiteloos herkenbaar is. Met dank aan de intussen al ruim 30.000 hectare invernaderos - spotgoedkope serres in plastic, zeg maar - die het landschap hier de voorbije jaren stelselmatig verminkt hebben. Die serres strekken zich als een gigantische witte vlek uit over een smalle, tientallen kilometers lange kuststrook. Ze tekenen intussen al voor net geen 65 procent van de totale fruit- en groenteproductie in Spanje. De horticultuur is in de ooit zo schrale en straatarme provincie Almería goed voor een jaaromzet van 3,5 miljard euro. Samen met de aanverwante industrieën vertegenwoordigt de sector zelfs 40 procent van het provinciale bbp. De combinatie van enerzijds uiterst gunstig klimatologische omstandigheden en anderzijds de haast onbeperkte aanwezigheid van goedkope arbeidsmigranten uit Afrika hebben deze regio in enkele decennia omgetoverd tot de Europese hofleverancier van zowat alle mogelijke tuinbouwproducten. De bouw van de eerste invernaderos gaat terug tot het begin van de jaren zeventig, maar het fenomeen nam pas echt een hoge vlucht in de jaren tachtig en negentig. Toen duidelijk werd hoe groot de impact van de plastic serres op het rendement wel was, schakelden duizenden voornamelijk kleine en middelgrote familiebedrijfjes massaal over op deze innovatieve horticultuur. 'We produceren jaarlijks 3 miljoen ton groenten en fruit, voornamelijk tomaten, meloenen, paprika's en aubergines. Ruim 75 procent daarvan wordt uitgevoerd binnen de EU', vertelt Francisco Góngora Canizares. Hij is de topman van sectorfederatie Hortiespana, en toont zich pas na lang aandringen bereid tot een interview. Net zoals de bedrijven en de landbouwers zelf verwijt hij de media de sector al te veel in een negatief daglicht te plaatsen. Vooral uit groene en ngo-hoek klonk de kritiek de voorbije jaren steeds luider. Niet enkel wegens de zware milieu-impact van wat in Spanje bekendstaat als el mar de plástico, maar net zo goed omdat de sector ervan beschuldigd wordt massaal misbruik te maken van tienduizenden goedkope arbeidsmigranten en zo de Europese concurrentie buitenspel te zetten. In 2010 al onderzocht de universiteit van Almería de milieu-impact van wat de wetenschappers toen omschreven als 'Europees, en wellicht zelfs wereldwijd, de grootste oppervlakte aan intensieve landbouw onder plastic'. In haar conclusies wees de universiteit vooral op het problematische waterverbruik - vooral voor de teelt van tomaten en aubergines - in een regio die sowieso al tot de droogste van Spanje behoort. Niet alleen moeten de producenten almaar dieper gaan om voldoende grondwater op te pompen, ze nemen ook steeds vaker hun toevlucht tot het gebruik van zeewater. Dat leidt tot een veel grotere concentratie aan zout in de bodem. Minstens even problematisch bleek de milieuschade veroorzaakt door het massale gebruik van sproei- en meststoffen, dat in sommige gevallen zou oplopen tot 3400 kilo per hectare tuinbouwgrond. 'De zeer intense teelt zorgt in de regio voor een degradatie van de bodemkwaliteit en voor een verhoogde aanwezigheid van zware metalen in de bodem', waarschuwden de onderzoekers toen. Het allergrootste zorgenkind blijft uiteraard het plastic afval: de combinatie van zon en wind verzwakt en verpulvert na twee à drie jaar het plastic, dat zich dan over een oppervlakte van tientallen kilometers verspreidt en bijzonder moeilijk in te zamelen en te recycleren valt. Volgens recente cijfers zou de tuinbouw in de provincie Almería jaarlijks ruim 30.000 ton plastic afval genereren. Kleine partikels daarvan belanden op termijn ook in zee. Het eerste verbod om in de regio nog nieuwe serres bij te bouwen, dateert al uit de jaren tachtig, maar tot vandaag wordt vrolijk voortgebouwd. De sector maakt zich sterk dat er de voorbije jaren flink wat vooruitgang is geboekt om de funeste milieu-impact van de intensieve tuinbouw stevig te beperken. De gewasbescherming in de streek gebeurt tegenwoordig grotendeels ecologisch, en het stadje El Ejido telt ook een aantal onderzoekscentra die Europees voortrekker zijn op het vlak van biologische gewasbescherming. De Andalusische deelregering kondigde medio vorig jaar ook nog een campagne aan om de strijd aan te binden met het afval. 'Bovendien', zo haalt Francisco Góngora Canizares aan, 'kunnen er ook wel wat vragen gesteld worden bij de zogenaamd duurzame aanpak in landen als België of Nederland. Net omdat de serres daar maandenlang verwarmd moeten worden, ligt het energieverbruik er minstens dertigmaal hoger dan hier in Almería.' San Isidro, dertig kilometer ten noorden van provinciehoofdstad Almería, lijkt zo'n Spaans dorp waarvoor het begrip desolaat uitgevonden lijkt. Langs de hoofdweg, waar zielloze bars, een enkele supermarkt en wat fitnesszaaltjes elkaar afwisselen, staan groepjes mannen verveeld voor zich uit te staren. Zodra we een zijstraat inslaan, botsen we met de regelmaat van de klok op zwarte landarbeiders die zich op gammele fietsen voorthaasten. Je duikt er een eindeloos lappendeken van invernaderos in, en her en der verspreid langs de landwegen liggen grote hopen groente- en fruitafval. Hier en daar zijn er nog volop nieuwe serres in aanbouw, doorgaans niet meer dan een rudimentaire constructie van metalen palen, ijzerdraad en plastic folie. Tussen twee van die velden met serres in botsen we op een soort woonerf dat je eerder in Afrika zou verwachten: enkele oude zetels en tuinstoelen rond een houtvuurtje, een wasmachine op een sokkel in open lucht en enkele krotten opgetrokken uit palen, zeildoek en hier en daar een bakstenen muurtje. Een handvol Afrikanen kijkt ons enigszins verrast en afwachtend aan, maar Yakuba blijkt wel te vinden voor een praatje. Hij is 21 en komt uit Mali, praat behoorlijk Frans en is hier naar eigen zeggen pas enkele maanden geleden aangespoeld. 'In mijn geboorteland was ik werkloos en zag ik geen enkele perspectief meer', klinkt het. 'Ik ben naar Marokko getrokken en ben dan met een bootje in Spanje beland. Ik wist dat hier werk te vinden was, en woon hier nu met een aantal andere Afrikaanse landarbeiders. We trekken van het ene fruit- of groentebedrijf naar het andere, en bieden daar onze diensten aan. Van tomaten over meloenen tot paprika's: we verbouwen hier alles.' Yakuba is uiteraard illegaal in Spanje, wat hem nog kwetsbaarder maakt dan de tienduizenden gelegaliseerde landarbeiders van Afrikaanse afkomst in de regio, maar hij klaagt niet. 'Soms verdien ik 20 euro per dag, als ik geluk heb loopt mijn dagloon op tot wel 30 euro. Het werk is niet overdreven zwaar, en hier kan ik tenminste wat geld verdienen. In Mali had ik amper een inkomen en was het leven nog een stuk lastiger. En zodra ik hier drie jaar werk, kan ik papieren krijgen en dan kan ik ook meer geld gaan verdienen.' Het lijkt bijzonder onwaarschijnlijk dat het geïmproviseerde kamp, op nauwelijks twintig meter van een behoorlijk drukke landweg, nooit eerder zou zijn opgemerkt door de lokale politie of de arbeidsinspectie, maar daar maken de illegale landarbeiders zich duidelijk niet druk om. 'De politie komt hier af en toe een kijkje nemen, maar ze weten dat wij hier in de buurt werken en dat we geen vlieg kwaad doen, dus ze laten ons met rust', klinkt het. 'We verdienen voldoende om eten te kopen, en kijk, we hebben hier zelfs onze eigen wasmachine om onze kleren te wassen. (grijnst) Mij hoor je dus niet klagen.' Hoeveel buitenlandse werkkrachten er vandaag precies aan het werk zijn in de fruit- en groentekweek in de provincie is onmogelijk in te schatten, niet het minst omdat er ook heel wat illegalen aan de slag zijn. Volgens officiële Spaanse bronnen liep het aantal legale buitenlandse landarbeiders in 2016 al op tot 31.500, op een totale werkgelegenheid van ruim 56.100 arbeiders in de hele sector in de provincie Almería. Volgens de officiële sectorfederatie stellen de lokale bedrijven daarnaast weinig of geen illegalen te werk, maar vakbonden en lokale ngo's spreken dat resoluut tegen. 'We schatten dat 10 à 15 procent van de landarbeiders hier in de regio geen verblijfsdocumenten heeft', zegt Jose Cuevas. Hij is woordvoerder van het SOC (Sindicato de Obreros del Campo), een van de meest actieve maar tegelijk ook behoorlijk omstreden en militante vakbonden in de provincie. In hun wat groezelige hoofdkwartier in een buitenwijk van Almería is het dringen geblazen: zwart-Afrikanen en Marokkanen schuiven er aan voor sociale of juridische bijstand, onder het oog van Che Guevara, die vanaf de muur toekijkt. Ze krijgen er folders toegestopt die hen in het Spaans, Frans en Arabisch wijzen op hun rechten in Spanje, ook als ze illegaal in het land zijn. 'Het officiële bruto minimumloon in de sector bedraagt 6,90 euro per uur. De grote meerderheid van de kmo's trekt zich daar geen moer van aan', zegt Cuevas. 'Er bestaat zelfs een soort officieuze sectorovereenkomst die het minimumloon op 5,80 euro per uur vastlegt. Maar zelfs dat loon blijft voor heel wat arbeidsmigranten te hoog gegrepen.' Volgens cijfers van de grote vakbonden wordt 40 procent van de arbeidsprestaties in de serres niet aangegeven. 'In veel gevallen kun je echt van georganiseerde uitbuiting spreken', vervolgt Cuevas. 'Arbeiders worden 's ochtends opgepikt op straat en kunnen doorgaans niet anders dan zich tevredenstellen met wat ze 's avonds ontvangen. Het regent klachten bij de arbeidsinspectie, maar die is onderbemand en werkt ook bijzonder traag, zodat het merendeel van de klachten onbeantwoord blijft. Vergeet niet dat dit een sector is die hoofdzakelijk uit familiale bedrijfjes bestaat. Grondige controles zijn heel tijdrovend.' Alle Afrikaanse migranten met wie we praten, bevestigen dat heel wat bedrijven in de regio een loopje nemen met de Spaanse loonnormen. Allemaal hadden ze het over daglonen die tussen de 25 en de 30 euro schommelden. Ongeacht of ze nu met een officieel arbeidscontract dan wel in het zwart tewerkgesteld waren. Daarnaast tref je in de regio ook Afrikanen aan die nog niet zo lang geleden de overtocht naar Spanje maakten. Hun situatie is uiteraard nog een stuk precairder. 'Het probleem is dat de politie hier vaak onder één hoedje speelt met de bedrijven', vertelt Rachid El Assad (47). Hij belandde in 2001 al in Spanje en werkte eerst in de bouw. Toen de crisis in 2008 losbarstte, verkaste hij naar San Isidro om er in de tuinbouw aan de slag te gaan. Hij kent de regio en de sector intussen als zijn broekzak. 'Ondernemers worden vaak vooraf getipt als de politie of de sociale inspectie eraan komt, waarop ze hun illegale arbeiders wegsturen. Ikzelf had een vast contract bij een bedrijf in de streek, maar vorig jaar werd ik op straat gezet omdat ik rugproblemen had. Ik kon nochtans een doktersattest voorleggen, maar dat maakte weinig indruk. Nu ben ik bij een andere tuinbouwer aan de slag, maar ik heb geen contract meer en ze betalen me maar 5 euro per uur. Ik werk zes dagen op zeven, dat is de enige manier om het hoofd boven water te houden. Ik woon in een klein huisje in de stad en heb drie kinderen.' Nu de migratieroutes naar Italië min of meer afgesloten zijn, wagen steeds meer migranten de overtocht vanuit Afrika richting Spanje, waardoor het land zich ook verzekerd weet van een haast continue aanvoer van verse goedkope arbeidskrachten. Zodra zij drie jaar in Spanje verblijven en kunnen aantonen dat ze sociaal min of meer geïntegreerd zijn, kunnen zij aanspraak maken op officiële verblijfsdocumenten. Nogal wat illegalen opteren er dan ook voor om die periode van drie jaar uit te zweten. En zoals een vakbondsman ons off the record toefluisterde: 'De arbeidsomstandigheden en de lonen zijn in Afrika nog slechter dan in Spanje. In die zin hebben veel Afrikaanse migranten het niet zo slecht getroffen.' De topman van sectorfederatie Hortiespana ontkent niet dat er hier en daar misbruiken zijn, maar pleit ook voor begrip. 'Nergens ter wereld is de sociale ongelijkheid tussen twee grensregio's groter dan hier, in de frontlinie van de Europese migratiecrisis. Het bbp per inwoner bedraagt in Spanje 26.528 dollar. In Marokko, op een boogscheut hiervandaan, is dat 2832 dollar. Een verhouding van 1 op 9. Ter vergelijking: als je eenzelfde vergelijking maakt tussen Mexico en de VS is de verhouding vandaag 1 op 7. De migratiedruk is onvoorstelbaar hoog, en alleen al volgens de officiële cijfers komen er jaarlijks meer dan 7000 illegalen Spanje binnen via de zee. De opvangcapaciteit is de voorbije jaren hoegenaamd niet gevolgd, en dus is het ook niet zo verbazingwekkend dat er af en toe misbruiken te betreuren vallen. Daar staat dan weer tegenover dat onze sector wel tienduizenden migranten een leefbaar inkomen verschaft.' De laatste dag van ons verblijf trekken we een stukje meer zuidwaarts en belanden we in El Ejido. Ooit een onbeduidend landbouwdorpje, vandaag een welvarende stad waar de nieuwe familiewoningen als paddenstoelen uit de grond rijzen. Met ruim 12.000 hectare landbouwgrond is El Ejido de perfecte illustratie van de indrukwekkende gedaanteverandering die de hele regio de voorbije jaren ondergaan heeft. In de hoofdstraat wisselen hippe boetiekjes en pompeuze appartemensblokken elkaar af, maar zodra je een zijstraat inslaat, verandert het straatbeeld. Kleine, nogal armoedige arbeidershuisjes voeren er de boventoon en op het einde van die zijstraten zie je de eerste contouren van de grote witte vlek opnieuw opdoemen. De plastic serres mogen de regio dan heel wat economische welvaart hebben gebracht, de ecologische schade en vaak ook menselijke ellende vallen er amper te becijferen.