In Knack verscheen vorige week een interview met advocaat Jean Flamme waarin hij het feit dat een genocide in Rwanda in '94 plaatsvond in vraag stelt. Verder suggereert meester Flamme dat de moord op een miljoen Tutsi in de eerste plaats het gevolg was van een 'groot complot' dat in het geheim werd opgezet door de Verenigde Staten.

De woorden van meester Flamme, hoewel duidelijk negationistisch, hebben op zich niets origineels. Pogingen om de genocide in vraag te stellen ontstonden reeds bij het begin van de moorden en blijven tot vandaag af en toe opduiken. Dit heeft dus niets origineels want ontkenning en negationisme horen nu eenmaal bij elke genocide.

Het probleem met deze uiting, die verschijnt op het moment waarop meester Flamme zich voorbereidt om voor het assisenhof te pleiten voor een beschuldigde van oorlogsmisdaden en genocide, is dat het een nauwelijks verkapte poging is om de publieke opinie te beïnvloeden. Een publieke opinie die nog steeds te weinig op de hoogte is van de feiten.

Er vonden in België eerder al processen plaats met betrekking tot de genocide van de Tutsi, maar het is het inderdaad de eerste keer dat het Belgische Hof van Assisen zich zal moeten buigen over de beschuldiging van genocide. Tot vandaag werd er in Belgïe enkel beslag gelegd op het hof voor oorlogsmisdaden.

Hoe absurd ze ook mogen zijn, theorieën die genocide in Rwanda ontkennen, zijn verre van onschadelijk.

De hoeksteen van de ontkenning of negationisme van de genocide op de Tutsi bestaat erin om te beweren dat een er geen voorafgaand plan nog voorbereidingen zijn geweest om de Tutsi minderheid te vernietigen en dat de massamoorden op Tutsi in Rwanda 'spontaan' zouden ontstaan zijn onder het effect van volkswoede. Door het bestaan van een politiek plan voor de uitroeiing van de Tutsi te ontkrachten, zou het verdrag inzake de Voorkoming en de Bestraffing van Genocide van 1948 niet toepasbaar zijn en zouden de beschuldigingen van genocide niet meer gerechtvaardigd zijn. Dit was trouwens de verdedigingsstrategie van de hoofdbeklaagden voor het Internationaal Strafhof voor Rwanda (ICTR).

Het was ook het ICTR dat, bevraagd over de kwestie, in het Akayesu-arrest van 1998 voor het eerst erkende dat de moorden op Tutsi in Rwanda een genocide was, dat wil zeggen het resultaat van een strategie die, op het hoogste niveau door politieke, civiele en militaire autoriteiten werd beslist en uitgewerkt. De juridische erkenning dat de genocide voorbereid en gepland werd is sindsdien erkend door de Algemene Vergadering van de VN en vele landen, waaronder België, na de parlementaire enquête van 1997.

Sommige beweringen van meester Flamme zijn zo absurd dat het verleidelijk is om hem niet serieus te nemen. Bijvoorbeeld het feit dat het Rwandees Patriottisch Front (RPF), toen voornamelijk bestaande uit Tutsi, de genocidaire regeringsmilities zou hebben geïnfiltreerd om de moorden op hun gelijken te ontketenen. Of de mogelijkheid dat de Verenigde Staten erin zouden geslaagd zijn om iedereen te manipuleren, alle organen van de Verenigde Naties, een aantal landen, waaronder de Belgische autoriteiten, en talloze niet-gouvernementele organisaties die de werkelijkheid van de genocide van '94 herkennen, is ronduit lachwekkend. Opgemerkt moet worden dat Advocaten zonder Grenzen, een organisatie waartoe meester Flamme behoort, ook de term genocide gebruikt om het systematisch moorden van Tutsi in '94 te beschrijven.

Jammer genoeg, hoe absurd ze ook mogen zijn, zijn theorieën verre van onschadelijk. Dit is bijzonder het geval voor de ontkenning van de genocide tegen de Tutsi. Onder het mom van een kritische kijk op de geschiedenis, wakkert de ontkenning van de Holocaust de mythe van de Joodse samenzwering aan: de zes miljoen doden zouden uitgevonden zijn om de oprichting van Israël te rechtvaardigen. Op dezelfde manier, het bouwen van extravagante rechtvaardigingen om de geschiedenis van genocide tegen de Tutsi te herschrijven heeft als doel de daders van hun verantwoordelijkheden vrij te praten.

Het meest elementaire respect voor de nagedachtenis van de slachtoffers is om de geschiedenis van deze ramp te erkennen zonder vervorming.

Vijfentwintig jaar na de genocide en terwijl bewijzen in overvloed aanwezig zijn, durft bijna niemand meer de realiteit van de moorden in twijfel te trekken. Maar er verschijnt een nieuw discours, dat insinueert dat de waarheid ambigu zou zijn, en waarbij elk uiteindelijk een deel van de verantwoordelijkheid zou dragen.

In een tijd waarin sommige media worden gemanipuleerd door dit subtiele negationisme, laten we aan een essentieel feit herinneren: de slachtoffers van het extremistische Hutu-regime waren allemaal onschuldig. Tutsi of Hutu die zich verzetten tegen de genocidaire plannen, mannen of vrouwen, volwassenen of kinderen, deze mensen, die verjaagd en vermoord werden als dieren, waren gewone burgers, die noch de capaciteit noch de intentie hadden om schade aan te richten. Het meest elementaire respect voor de nagedachtenis van de slachtoffers is om de geschiedenis van deze ramp te erkennen zonder vervorming.

Naar aanleiding van de aankomende 25ste herdenking van de genocide tegen de Tutsi in Rwanda, is het belangrijk dat de publieke opinie over een ware voorstelling van de feiten beschikt. Een genocide vond plaats in '94 in Rwanda, de genocide tegen de Tutsi.

Linda Melvern is onderzoeksjournalist en auteur van verschillende boeken over de genocide van Tutsi.

Laetitia Tran Ngoc is onafhankelijk onderzoekster.