Opinie

Arne Gillis

Het mistgordijn, een Colombiaanse specialiteit

Arne Gillis Correspondent voor Knack.be in Latijns-Amerika.

Colombia stevent af op verkiezingen. Vanop afstand lijken die volgens het boekje te gaan verlopen. Maar het rot van bijna een eeuw oorlog heeft de fundamenten van de Colombiaanse democratie zwaar aangetast. Een opinie van Arne Gillis, onze correspondent ter plaatse.

Trek op zondagvoormiddag de hort op in een willekeurige Colombiaanse stad, en de kans is groot dat je ze vanzelf tegenkomt op één van de pleintjes. Mannen en vrouwen, getooid met pamfletten en zwart-witfoto’s van hun dode geliefden. ‘Quién dio la orden?’, luidt doorgaans de titel van zo’n pamflet: ‘wie gaf het bevel?’ Met luide, repetitieve uithalen scanderen ze de slogan voor iedereen die het wil horen.

Dikwijls beschikken ze over een schat aan informatie over de specifieke slachtpartij waarin ze hun geliefden verloren. De ngo Indepaz bewaakt intussen het overzicht. In de eerste vier maanden van 2022 vonden er al 36 zo’n slachtpartijen plaats, met in totaal 133 doden.

Met de intussen landelijk bekende slogan willen de aanklagers vooral de politieke verantwoordelijkheid in de slachtpartijen centraal stellen. Kop van Jut is de clan rond voormalig president Álvaro Uribe, die met pionnen als huidig president Iván Duque en presidentskandidaat Federico Gutiérrez nog steeds geldt als kingmaker in de Colombiaanse politiek. Ze worden beschouwd als een roofelite, die, waar het leger op papier gebonden is aan mensenrechten, hun vuile klussen laten opknappen door paramilitaire organisaties. Vandaar de vraag: ‘wie gaf het bevel?’

Verknipt door verdriet en woede zijn ze. Op de pleintjes vertellen ze verhalen over ontvoeringen, moorden, waanzinnige brutaliteiten. Wie met hen in gesprek gaat, beseft onmiddellijk dat dit land met een enorm probleem kampt.

Bart De Wevers ‘gezond staatsapparaat’

Vijf februari 2022. Colombia krijgt bezoek van Bart De Wever, op persoonlijke missie om de Colombiaanse cocaïne uit de Antwerpse haven te weren. ‘Colombia is het enige land uit de regio waar je op dit moment mee kan werken, waar er een gezond staatsapparaat is’, vindt De Wever.

Voor wie nog twijfelt. Op de dag van De Wevers bezoek in Colombia, vijf februari, vonden er volgens Indepaz twee slachtpartijen plaats. Zowel in Angostura als in Puerto Leguízamo worden er telkens drie mensen doodgeschoten. Op 28 maart, twee maanden later is het weer prijs in Puerto Leguízamo. Dit keer vallen er elf doden. Vooral deze laatste slachtpartij zet het land in rep in roer. Het is namelijk één van de weinige slachtpartijen die werden onderzocht.

Niet door het parket – dit is Colombia –, wel door lokale journalisten. Op gevaar voor eigen leven achterhaalden zij dat het leger op 28 maart binnenviel in Puerto Leguízamo nadat ze vermoedden dat er zich guerrillero’s schuilhielden. Verschillende overlevenden getuigen dat de soldaten zichzelf vermomden als guerrillero’s, waarop ze het vuur openden op een dorpsfeest. Nadien zouden ze verschillende van de dode lichamen opgesmukt hebben met vuurkracht, om zo de schijn op te wekken dat de getroffen burgers gewapend waren.

Zou Bart De Wever dit voorval klasseren met de boutade van de ‘rotte appels’? Wie zal het zeggen. In ieder geval heeft het Colombiaanse leger op z’n zachtst gezegd een kwalijke reputatie. Tot diep in de 21e eeuw was dit een standaardtactiek: burgers bij bosjes tegelijk uitroeien, en de lichamen nadien in guerrilla-plunjes hijsen. Nadien kloppen legerleiders en president zich graag op de borst met hun overwinning op ‘de terroristen’.

De praktijk kende een piek onder het presidentschap van Álvaro Uribe, maar de slachtpartij van Puerto Leguízamo bewijst dat Colombia zich nog steeds schuldig maakt aan staatsterrorisme.

De Internationale Federatie voor Mensenrechten stelt dat opeenvolgende Colombiaanse regeringen zich hiervoor zouden moeten verantwoorden voor het Internationale Strafhof in Den Haag.

Paramilitaire lockdown

In Colombia bestaat er een aparte term voor politici die heulen met paramilitairen: parapolíticos. Duque noch Uribe werden betrapt met een smoking gun, maar verschillende van hun directe medewerkers zijn dat wel.

Desondanks maken weinig Colombianen zich illusies. Een en ander werd onderstreept door de recente uitlevering van alias ‘Otoniel’, de leider van de oppermachtige Clan del Golfo, ook bekend als de paramilitaire organisatie Autodefensas Gaitanistas de Colombia (AGC).

Vorige week werd Otoniel uitgeleverd aan de Verenigde Staten, op verdenking van een hele rist misdrijven, waaronder cocaïnesmokkel. Ondertussen vraagt het hele land zich af waarom deze man zich moet verantwoorden in de VS, een land dat hij waarschijnlijk nooit heeft bezocht. Vreest de Colombiaanse overheid dat de waarheid naar boven komt, mocht Otoniel zich verantwoorden voor een Colombiaanse rechtbank?

In ieder geval roerden ook de overgebleven AGC’ers zich al snel, uit onvrede met de uitlevering van hun baas. Van 5 tot 10 mei kondigde ze een ‘gewapende staking’ af in het hele land: alles op slot, iedereen binnen.

Het antwoord van de regering? Een filmpje op Twitter met de boodschap dat het leger ontplooid zou worden. Te zien is hoe een twintigtal militairen naar een handvol camions lopen. Intussen kraakt het land voor de zoveelste keer in de geschiedenis in haar voegen: het hele noorden van het land vijf dagen lamgelegd, minstens veertien burgerdoden, 80 voertuigen in brand gestoken.

Een uitgebrand wrak op 6 mei 2022, nabij San Pedro de los Milagros, Antioquia, Colombia (Getty)

Het leger en de AGC zijn gewoon één en dezelfde dezelfde organisatie, klinkt het na afloop van de paro armado bij verschillende prominenten. Het enige verschil is dat de paramilitairen na het moorden ook nog minstens even voetbal spelen met de hoofden van hun slachtoffers. Liefst nog voor de ogen van enkele kinderen – je kan zo’n kinderbrein niet vroeg genoeg met trauma’s en haat vullen. Dat is wat bijna een eeuw oorlog doet met een maatschappij.

De regering-Duque ontkent uiteraard elke betrokkenheid bij paramilitaire activiteiten. Maar als er één specialiteit is van de Colombiaanse regering, dan die van het mistgordijn. Dat mag Bart De Wever binnenkort ook gaan ondervinden, als blijkt dat de coke even rijkelijk als altijd zal blijven vloeien door de Antwerpse haven.

Een vertrouwd beeld: cocaïne in de Antwerpse haven – 5 april 2021 HAND OUT FGP ANTWERPEN

‘Was het dan toch geen gezond staatsapparaat?’, zal hij zich dan afvragen, hopelijk.

‘Een tweede Venezuela’

Binnenkort zijn er verkiezingen in Colombia. De linkse Gustavo Petro neemt het op tegen Federico Gutiérrez, die tot Uribe’s clan wordt gerekend. Petro’s overwinning zou historisch zijn: in de moderne geschiedenis van Colombia won links er nog nooit het pluche.

In zijn campagne belooft Petro om het vredesakkoord van 2016 tussen regering en FARC-guerrilla eindelijk door te voeren. Hij wil de almacht van de paramilitairen breken en structurele aanpassingen doorvoeren in de maatschappij. Petro stelt dat de economie weg moet evolueren van het huidige model gebaseerd op roofbouw.

Waar wel meer politici heulen met het begrip ‘verandering’, lijkt het erop dat de cambio van Petro ook iets betekent.

Of toch alvast op papier, want ‘politiek is niets meer dan geërfde haat’ – zo luidt een andere Colombiaanse wijsheid. Petro, zelf een voormalige guerrillero, staat in ieder geval voorlopig vooraan in de peilingen. De clan rond Uribe probeert de bevolking intussen met man en macht de angst in te lepelen voor een linkse dictatuur, ‘een tweede Venezuela’. Dat schijnt in grote delen van het land nog aardig te lukken ook. ‘Ik stem voor de duivel die we kennen’, hoorde ik onlangs.

Toen Daniel Quintero, de burgemeester van Medellín, onlangs suggereerde dat hij Petro zou steunen, werd hij prompt op non-actief gezet. ‘De staatsgreep is begonnen’, reageerde Quintero. Of dat zo is, moeten de volgende weken uitwijzen. Maar dat Uribe’s clan begonnen is met de messen te slijpen, wordt met de dag duidelijker. 

Als een scheet in de wind

Vorige week weigerde het Colombiaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken mijn journalistenvisum. Na drie maanden aan het lijntje gehouden te zijn met een stapel formulieren en dagen verloren te hebben in allerhande wachtrijen on- en offline, prijkt daar dat ene woord. ‘Inadmitida’. En wel wegens ‘facultad discrecional’. Dat betekent zoveel als: alle papieren zijn in orde, de gevraagde som is betaald, en toch verstrekken we het visum niet. Er komt geen reden, geen uitleg. Plots valt alle contact stil. Colombia heeft – wat dacht u? – een beroerde reputatie inzake persvrijheid.

Wat in België al eens aangehaald wordt als boutade, geldt des te meer voor Colombianen. Ze leven ondanks hun regering.

Voor de zoveelste keer de telefoon nemen om naar het ministerie te bellen, voelt, na een rijk palet aan andere emoties, na verloop van tijd vooral zoet aan. De zoete pijn van zelfkastijding. Dan verandert het ministerie plots in een sierlijke luchtbel. Onbereikbaar, onaantastbaar.

En dan, na lang aandringen, opent het mistgordijn zich. ‘Probeert u nog eens in te dienen?’, suggereert een stem, kort, vanuit een ambtenarentoren, ergens in Bogotá. De woorden glijden over me heen en fladderen verder, als een scheet in de wind.

Zo voelt het dus, wanneer een overheid je recht in het gezicht spuwt. Tegenover de pijn van zo’n vrouw met een pamflet zinkt het allemaal weg, in het oneindige niets.

Lees ook: Hoe een gekliste drugsbaas de Colombiaanse regering in nauwe schoentjes brengt

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content