Nepnieuws is een machtig wapen. Denk aan de brexit en het presidentschap van Donald Trump. Moet de verspreiding ervan dus maar strafbaar worden gesteld? Flemming Rose schudt zijn hoofd. Nepnieuws is een probleem, beaamt hij, een groot probleem. Maar voor de Deense voorvechter van het vrije woord valt het desondanks onder de vrijheid van meningsuiting. 'De Duitse regering heeft onlangs een wetsvoorstel ingediend dat nepnieuws onwettig moet maken. Ik ben daar faliekant tegen', zegt hij.
...

Nepnieuws is een machtig wapen. Denk aan de brexit en het presidentschap van Donald Trump. Moet de verspreiding ervan dus maar strafbaar worden gesteld? Flemming Rose schudt zijn hoofd. Nepnieuws is een probleem, beaamt hij, een groot probleem. Maar voor de Deense voorvechter van het vrije woord valt het desondanks onder de vrijheid van meningsuiting. 'De Duitse regering heeft onlangs een wetsvoorstel ingediend dat nepnieuws onwettig moet maken. Ik ben daar faliekant tegen', zegt hij. Waarom? Omdat het hem herinnert aan de Sovjet-Unie waar hij jarenlang correspondent was. 'Daar had je een paragraaf in het wetboek waarin het strafbaar werd gesteld om valse informatie over het politieke systeem van de Sovjet-Unie te verspreiden. De Duitse minister van Justitie gebruikte identieke bewoordingen: het opzettelijk verspreiden van valse informatie over het politieke systeem in Duitsland. Het gaf me koude rillingen. Het mag nooit het werk zijn van een regering om te bepalen wat de waarheid is en wat niet. Want zo ziet een dictatuur eruit.' En nee, dat is geen ontkenning van het probleem, voegt hij meteen toe. 'Maar als je die weg inslaat, van bepaalde nieuwsbronnen die door de regering zijn goedgekeurd en andere niet, dan verliezen mensen nog meer hun vertrouwen in de media.' De 59-jarige Flemming Rose haalde het wereldnieuws toen hij in 2005 in zijn krant twaalf cartoons afdrukte van de profeet Mohammed, waaronder een met een bom in zijn tulband. Het leverde hem een plaats op in de dodenlijst van Al-Qaeda, waardoor hij inmiddels onder constante bewaking staat. Hij is de dans vooralsnog ontsprongen en zit nu in de lobby van het River Club Hotel in Kaapstad, waar hij over drie kwartier een voordracht zal houden op uitnodiging van het liberale Zuid-Afrikaanse onderzoeksbureau Institute of Race Relations. Eigenlijk had hij hier vorig jaar al moeten zijn, nadat het Academic Freedom Committee van de Universiteit van Kaapstad hem had uitgenodigd voor een lezing. Maar die uitnodiging werd ijlings ingetrokken omdat rector Max Price vreesde dat de komst van Rose tot geweld zou leiden. 'Dat is dodelijk voor het intellectuele debat en de academische vrijheid', foetert Rose. 'Ik hoop dat Price erop wordt aangesproken. Twee weken geleden publiceerde hij nog een open brief over zijn universiteit die de waarden van vrijheid van meningsuiting zo hoog in het vaandel zou dragen. Hij ondermijnt die waarden juist! Dat is een intellectuele blunder van de hoogste orde. Hij had mijn boek The Tyranny of Silence kunnen lezen. Dat is vertaald en vrijelijk beschikbaar.' Met zijn donkergrijze pak, lichtgrijze overhemd, korte grijze haar en bril met zwart montuur zou Rose zo kunnen figureren in de Deense televisieserie Borgen. Maar het leven van de door amoureuze en politieke intriges geplaagde hoofdpersonen steekt bleekjes af bij dat van Rose. Zijn werdegang begon in de zomer van 2005, toen hij vernam dat het nagenoeg onmogelijk was om iemand te vinden die een tekening van Mohammed wilde maken voor een Deens kinderboek. Volgens de Koran zou het afbeelden van de Profeet verboden zijn, en niemand wilde dat gebod toetsen. Zelfcensuur, constateerde Rose, en hij riep enkele tientallen cartoonisten op om hun versie van Mohammed op papier te zetten. Hij kreeg uiteindelijk twaalf inzendingen, die hij afdrukte in zijn krant Jyllands-Posten, waar hij chef kunst was. Aanvankelijk bleef het stil. Maar toen vermenigvuldigden de cartoons zich razendsnel via het internet. Met name de tekening van de Profeet met de tulbandbom viel slecht. In tal van landen, waaronder Nigeria, Pakistan, India en Libië, braken hevige antiwesterse onlusten uit. Er vielen tientallen doden, en ambassades moesten het bekopen. The New York Times had het over 'the cartoons that triggered violence in the Middle East'. Het maakt hem nog kwaad. 'Alsof ik daar verantwoordelijk voor was.' Het bezoek aan Zuid-Afrika moet heerlijk voor hem zijn, want de situatie wordt hier zo veilig geacht dat Rose een paar dagen bodyguardloos door het leven mag. Maar inmiddels is hij zo op zijn qui-vive dat zijn blik constant naar de deuropening schiet zodra daar iemand verschijnt. Ja, de cartoonaffaire heeft zijn leven veranderd, volledig overhoopgegooid mag je gerust zeggen. Was hij eerst gewoon een gerespecteerd redacteur bij een nette Deense krant, nu verkeert hij in het gezelschap van tragische beroemdheden als Ayaan Hirsi Ali, Salman Rushdie en Geert Wilders (met wie hij het overigens geheel oneens is wat betreft het verbieden van de islam en de Koran). 'Het voelt alsof je in een permanente strijd bent beland. Mensen hebben me bedreigd, sommigen willen me vermoorden. Als ik toegeef en spijt betoon, hebben zij gewonnen. Die overwinning gun ik ze niet', zegt hij. Was het het waard? Lastige vraag. Het was een geleidelijk proces, legt hij uit. 'Het begon met die cartoons...' Nee, onderbreekt hij zichzelf. Nee, het begon met zijn correspondentschap in Moskou in de jaren tachtig, toen het Sovjetregime daar alles wat naar dissident gedrag rook monddood maakte. Daar leerde hij hoe een dictatuur functioneert. 'Ik had vrienden die in de gevangenis waren beland, in ballingschap waren gegaan of hun baan hadden verloren. Onbewust heeft dat mijn doen en denken gevormd. Dat bepaalde mijn positie en hoever ik bereid was om te gaan', zegt hij. De impasse rond de illustratie van dat Deense kinderboek was het moment waarop hij vond dat hij een vuist moest maken. Het was toch te gek voor woorden dat in een vrije democratie als Denemarken kunstenaars te bevreesd waren om een tekening te maken van een historische figuur omdat een eeuwenoud religieus geschrift dat zou verbieden? Hij raakte geobsedeerd door de vrijheid van meningsuiting. Het is een filosofisch moeras waarin religie, ethiek en politiek elkaar ontmoeten. Ga je graven, dan betreed je een complex schemergebied vol onduidelijke verbanden tussen provocatie en gevolg. Voor Rose ligt de grens van het vrije woord bij 'het aanzetten tot geweld' en 'inbreuk op de privacy'. Simpel gesteld: een uitspraak als 'vermoord de Tutsi's' moet strafbaar zijn, omdat daar sprake is van directe aansporing tot geweld. Bij een tekening van Mohammed met een bom in zijn tulband is daar geen sprake van, ook al vallen er daarna bij rellen in het Midden-Oosten tientallen doden. Dus zo'n tekening moet kunnen. Rose is een verlichtingsdenker, die zich bij zijn argumentatie beroept op de rationele mens. 'Ieder individu kan voor zichzelf denken en kan zelf bepalen hoe hij reageert op een uitspraak of het betoog van een ander. Wie geweld pleegt, is daar zelf verantwoordelijk voor. Niet iemand die ergens vijfduizend kilometer verderop een tekening heeft gemaakt.' Zijn afstandelijke, rationele blik kreeg een optater toen er in januari 2015 een aanslag werd gepleegd op de medewerkers van het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo. Ineens kwam alles akelig dichtbij. Rose kende de slachtoffers; sommigen waren goede vrienden. Met nieuwe verbetenheid stortte hij zich op het debat over de diverse vrijheden. 'In 2015 begreep ik dat mensen bereid zijn om te doden vanwege een cartoon. Ik slaagde erin kalm te blijven en niet gek te worden door diep na te denken over hoe ver mijn invloed reikt en waar die invloed vervaagt. Mijn taak, realiseerde ik me, is om zaken uit te leggen. Dus daar concentreerde ik me op: de logica van het argument. Geweld past daar niet in. Geweld is kapitulatie. Het betekent dat je er niet in bent geslaagd om je meningsverschillen middels discussie op te lossen.' Op de krant zorgde zijn haast obsessionele gedrevenheid voor problemen. Met name de voormalige bestuursvoorzitter lag dwars. 'Het conflict ging over zaken als in hoeverre ik in het openbaar mocht spreken, interviews mocht geven en over bepaalde onderwerpen mocht schrijven. Hij bemoeide zich dus heel direct met redactionele zaken. Ik heb er een boek over geschreven dat vorig jaar verscheen, The Possessed. Ja, een verwijzing naar Dostojevski en diens speurtocht naar het Kwaad. Ik ben een grote fan.' De meningsverschillen kwamen in 2015 tot een uitbarsting, en Rose vertrok bij de krant. Daar zat hij: 57, emotioneel geknakt, zonder werk maar met een prijs op zijn hoofd - een weinig benijdenswaardige positie. Drie maanden later kreeg hij een telefoontje van de Amerikaanse denktankCato Institute, die hem niet alleen de Milton Friedman Prize for Advancing Liberty toekende, maar hem tevens inlijfde als senior fellow. Er was geen weg terug: hij werd de apostel van het vrije woord. Maar als dat uitgangspunt, die haast absolute vrijheid van meningsuiting, nou eens verkeerd is? Wat als het voor het menselijke welzijn beter blijkt als die impulsen een beetje aan banden worden gelegd? Als er, zeg maar, op zijn minst een pauze komt, die rekening houdt met de massale migratiestromen, de ongecoördineerde vermenging van talen, culturen en godsdiensten in combinatie met het razendsnelle en soms destructieve werk van de sociale media en de kille, effectieve algoritmes? Misschien moet dat alles beteugeld worden door een strengere wetgeving? 'De vrijheid van meningsuiting heeft een intrinsieke waarde', zegt Rose. 'Je kunt tal van argumenten aanvoeren vóór de vrijheid van het woord: ze bevordert de democratie, ze bevordert de feedback, ze bevordert het zoeken naar de waarheid. Het woord onderscheidt ons van de dieren: wij hebben een taal, een rede en een ratio. Wij kunnen onze gedachten ordenen en conclusies trekken. Wij zijn ook verhalenvertellers. We begrijpen het leven aan de hand van verhalen, en ieder individu heeft het recht op zijn eigen verhaal. Een dictatuur neemt dat recht weg. Een dictatuur zegt: dit is niet jouw verhaal, wij gaan jou vertellen wat jouw verhaal wel is. Dus het ondermijnen van de vrijheid van meningsuiting is niet alleen een misdaad tegen politieke vrijheid, maar ook een existentiële misdaad tegen de menselijke aard.' Haatspraak behoort tot die menselijke aard, vindt Rose, en moet slechts in extreme gevallen strafbaar worden gesteld. 'Ik ben tegen haatspraak en vind dat we die moeten bestrijden. Maar niet met een wet. Want hoe definieer je haatspraak? Wat voor de een haatspraak is, kan voor de ander poëzie zijn. Het wordt vaak gebruikt om een bepaalde groep met een afwijkende mening de mond te snoeren.' Er is, zegt hij, vreemd genoeg nog maar weinig empirisch onderzoek gedaan naar het verband tussen woord en daad. Als uitzondering noemt hij het boek Ordinary Men van de Amerikaanse historicus Christopher Browning, die onderzoek deed naar hoe een groep gewone mannen in nazi-Duitsland veranderde in een nietsontziende verdelgingsmachine. Rose: 'Groepsdynamiek bleek een veel belangrijkere rol te spelen dan taal. Het is heel belangrijk om dergelijke manipulatie en echokamers te bestrijden. Je moet mensen blootstellen aan gezichtspunten waar ze niet per se mee instemmen.' Dat brengt ons weer bij Facebook, die ultieme echokamer met bijna twee miljard leden, die probleemloos aanstootgevende en haatdragende meningen vermenigvuldigt en verspreidt. Op Facebook vind je ook de recente controverse rond de smakeloze, populaire Nederlandse websites Geenstijl en Dumpert, die zover gingen in het vernederen van een journaliste dat meer dan honderd vooraanstaande vrouwen opriepen tot een advertentieboycot. Rose knikt goedkeurend. Prima, zo'n oproep tot een advertentieboycot, zegt hij. 'Het is onze taak om ons tegen dergelijk gedrag uit te spreken, zonder daarbij terug te vallen op geweld of intimidatie. We moeten ons ook richten op kinderen. We moeten op scholen en in gezinnen duidelijk maken hoe belangrijk het is om in aanraking te komen met andere gezichtspunten. De media moeten daar ook ruimte voor vrijmaken, want dat leidt tot matiging en een cultuur waarin je naar andere stemmen leert te luisteren.' Hij kijkt op zijn horloge. Zes uur, tijd voor zijn lezing. Beheerst maakt hij zijn zin af: 'Zonder ze meteen overhoop te willen schieten.'