In een recent gesprek met de Nederlandse krant De Volkskrant zette de nieuwe directeur van het Amsterdamse Rijksmuseum, Taco Dibbits (1968) zijn plannen voor de toekomst uiteen. Anders dan zijn voorganger Wim Pijbes, die na de grondige verbouwingen vertrok om korte tijd adviseur te worden bij het privémuseum Voorlinden in Wassenaar, is Dibbits een ander soort kunsthistoricus.
...

In een recent gesprek met de Nederlandse krant De Volkskrant zette de nieuwe directeur van het Amsterdamse Rijksmuseum, Taco Dibbits (1968) zijn plannen voor de toekomst uiteen. Anders dan zijn voorganger Wim Pijbes, die na de grondige verbouwingen vertrok om korte tijd adviseur te worden bij het privémuseum Voorlinden in Wassenaar, is Dibbits een ander soort kunsthistoricus.Het Rijksmuseum behoort mede tot de meest bezochte instellingen in Europa maar het aantal bezoekers is wel afgenomen na de euforische openingsmaanden. Dibbits wil het peil weer optrekken door een breder tentoonstellingsbeleid te voeren. Er zullen altijd wel toeristen genoeg zijn om te komen kijken naar Rembrandts' Nachtwacht maar het duidelijk nationaal karakter van de collectie met al zijn verdiensten moet opengetrokken worden. We moeten laten zien dat Nederland altijd internationaal is geweest. Met tijdelijke tentoonstellingen kan het publiek kennismaken met buitenlandse kunst op het hoogste niveau. De directeur speelt met het idee om te laten zien wat er in Amsterdam aan buitenlandse kunst aanwezig was in de tijd van Rembrandt want Nederland was toen het centrum van verzamelaars. Meer concreet denkt hij aan een tentoonstelling van Titiaan in dialoog met de eigen verzameling. De twee portretten van Marten en Oopjen van Rembrandt, die gezamenlijk voor 160 miljoen euro aangekocht werden door het Louvre en het Rijksmuseum en nu in Parijs te zien zijn, worden nu gerestaureerd en zullen in maart volgend jaar op een tentoonstelling figureren in een internationale context, de high society in Europa. Dibbits wil ook Spaanse en Nederlandse kunst samen brengen in een soort tweestrijd tussen Diego Velasquez en Johannes Vermeer. Ook wil hij meer geschiedkundige exposities stimuleren zoals dat nu al het geval is met Zuid-Afrika en een omvangrijke expositie die gepland staat over de Tachtigjarige Oorlog en veel later, 2020 of 2021, komt de slavernij aan bod.Ook in Nederland blijft geld een probleem en de directeur zegt dat elke cent drie keer wordt omgedraaid maar het probleem is zeker niet minder in de financieel veel zwakkere musea in de regio. Daarom wordt er aan een plan gewerkt om zoveel mogelijk kunst uit het Rijksmuseum in plaatselijke musea te laten zien door die in bruikleen te geven. Dat is zo ongeveer wat de hoofddirecteur-hoofdconservator prof. dr. Manfred Sellink tijdens de noodgedwongen sluiting van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen deed. Hij stimuleerde en stimuleert thema tentoonstellingen in regionale musea en andere instellingen en ook in belangrijke buitenlandse instellingen rond een kern van eigen bezit.Zo blijft de collectie ten dele toonbaar en het museum zichtbaar. Zijn plannen voor 2019, wanneer het museum weer zal geopend worden als een nieuw lichaam onder een oude huid. Uiteraard is het KMSKA het Rijksmuseum niet, een miljoen objecten tegen zowat derienduizend is geen vergelijking ook al omdat Antwerpen uitsluitend schilderijen, beelden, tekeningen en prenten bezit en Amsterdam ook goud- en zilverwerk, toegepaste kunst, medailles en andere kunstvoorwerpen beheert. Maar daartegenover staat dat de Antwerpse instelling eigenaar is van een aantal Vlaamse Primitieven, Van Eyck, Van der Weyden, Memlinc enz. die van wereldklasse zijn, dat het unieke stukken in zijn bezit heeft zoals de Madonna van Jean Fouquet die men ons benijdt, en een topstuk van Titiaan. Verder een uitstekend overzicht van de evolutie van de Vlaamse Expressionisten en de grootste verzameling werken van Rik Wouters en de belangrijkste collectie Ensors in de wereld.Wanneer in 2019 het vernieuwde museum weer voor het publiek toegankelijk zal zijn wordt het even wennen. Aan de buitenkant wordt niet getornd, de majestueuze trappen blijven te beklimmen en de grootse en imposante inkomhal leidt trapsgewijs weer naar de vertrouwde Rubenszalen. Maar dan pas zal men een totaal nieuw museumconcept kunnen ontdekken. Licht, openheid, op relax afgestemde ruimtes waar men van deelcollecties, thema-overzichten en tijdelijke exposities zal kunnen genieten. Weg muffigheid, fluweel en oud meubilair en leve de participatie ter verhoging van het kijkgenot. Nog even geduld en de kleine broer van Amsterdam loopt op eigen benen.