Op 20 september 2015 werd in het Iraakse Mosul het huis van Basim Razzo (56) gebombardeerd door de Amerikaanse luchtmacht. Bij de aanval kwamen zijn vrouw Mayada en dochter Tuqa om. Het aanpalende huis van 's mans broer Mohanad werd ook getroffen. Hij en zijn vrouw Azza en zoon Najib kwamen er alle drie bij om.

Later die dag zou de internationale coalitie onder leiding van de Verenigde Staten, die sinds 2014 strijd voert tegen Islamitische Staat in Irak en Syrië, aankondigen dat het een bommenfabriek van de terreurgroep vernield had. Uit onderzoek van de New York Times blijkt dat geen van de burgerdoden ook maar iets met IS te maken had. Toch bleven de slachtoffers naderhand als strijders bestempeld, tot de krant de kwestie aankaartte.

Het gebeurt bij bombardementen veel vaker dan wordt toegegeven, schrijft de New York Times: burgers die voor IS-strijders genomen worden. Over een periode van achttien maanden bezocht de krant bijna 150 sites waar bombardementen werden uitgevoerd en sprak ze er met ooggetuigen en overlevenden.

Volgens de krant zouden bij één op de vijf coalitiebombardementen burgers omkomen, ofwel 31 keer meer dan de officiële cijfers. In veel gevallen zou dat te wijten zijn aan gedateerde of gebrekkige inlichtingen die burgers met strijders verwarren. 'In dit systeem zijn Irakezen schuldig tot het tegendeel wordt bewezen', schrijft de krant.

Amerikaanse militaire bevelhebbers maken zich sterk dat luchtaanvallen met veel meer precisie verlopen dan in voorgaande oorlogen. Volgens de coalitie kwamen sinds augustus 2014 466 burgers om bij 'onvermijdelijke ongevallen.' De gespecialiseerde ngo Airwars stelt dat het er 5.961 zijn.

Ook de Belgische luchtmacht voert in Irak bombardementen uit, op basis van Amerikaanse inlichtingen. Volgens Airwars zou België het voorbije jaar betrokken geweest zijn bij twee bombardementen in Irak waarbij ook twee burgerslachtoffers zouden zijn gevallen. Officieel houdt Defensie echter vol dat bij Belgische interventies nog altijd geen enkel burgerslachtoffer viel.

Op 20 september 2015 werd in het Iraakse Mosul het huis van Basim Razzo (56) gebombardeerd door de Amerikaanse luchtmacht. Bij de aanval kwamen zijn vrouw Mayada en dochter Tuqa om. Het aanpalende huis van 's mans broer Mohanad werd ook getroffen. Hij en zijn vrouw Azza en zoon Najib kwamen er alle drie bij om. Later die dag zou de internationale coalitie onder leiding van de Verenigde Staten, die sinds 2014 strijd voert tegen Islamitische Staat in Irak en Syrië, aankondigen dat het een bommenfabriek van de terreurgroep vernield had. Uit onderzoek van de New York Times blijkt dat geen van de burgerdoden ook maar iets met IS te maken had. Toch bleven de slachtoffers naderhand als strijders bestempeld, tot de krant de kwestie aankaartte.Het gebeurt bij bombardementen veel vaker dan wordt toegegeven, schrijft de New York Times: burgers die voor IS-strijders genomen worden. Over een periode van achttien maanden bezocht de krant bijna 150 sites waar bombardementen werden uitgevoerd en sprak ze er met ooggetuigen en overlevenden. Volgens de krant zouden bij één op de vijf coalitiebombardementen burgers omkomen, ofwel 31 keer meer dan de officiële cijfers. In veel gevallen zou dat te wijten zijn aan gedateerde of gebrekkige inlichtingen die burgers met strijders verwarren. 'In dit systeem zijn Irakezen schuldig tot het tegendeel wordt bewezen', schrijft de krant. Amerikaanse militaire bevelhebbers maken zich sterk dat luchtaanvallen met veel meer precisie verlopen dan in voorgaande oorlogen. Volgens de coalitie kwamen sinds augustus 2014 466 burgers om bij 'onvermijdelijke ongevallen.' De gespecialiseerde ngo Airwars stelt dat het er 5.961 zijn. Ook de Belgische luchtmacht voert in Irak bombardementen uit, op basis van Amerikaanse inlichtingen. Volgens Airwars zou België het voorbije jaar betrokken geweest zijn bij twee bombardementen in Irak waarbij ook twee burgerslachtoffers zouden zijn gevallen. Officieel houdt Defensie echter vol dat bij Belgische interventies nog altijd geen enkel burgerslachtoffer viel.