De Chinese transitie slingert je als waarnemer tussen extremen. De ene dag tel je de hypermoderne oorlogsbodems in de scheepswerven van Sjanghai en ontcijfer je rapporten over kwantumtechnologie; de andere dag bestudeer je de Afrikaanse varkenspest en oplopende schuld. Maar dat is eigenlijk normaal. Groei is voor landen als China een hindernissenparcours. Het is een strijd om macht en welvaart, maar net zo goed een gevecht tegen uitputting. Kracht en fragiliteit zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
...

De Chinese transitie slingert je als waarnemer tussen extremen. De ene dag tel je de hypermoderne oorlogsbodems in de scheepswerven van Sjanghai en ontcijfer je rapporten over kwantumtechnologie; de andere dag bestudeer je de Afrikaanse varkenspest en oplopende schuld. Maar dat is eigenlijk normaal. Groei is voor landen als China een hindernissenparcours. Het is een strijd om macht en welvaart, maar net zo goed een gevecht tegen uitputting. Kracht en fragiliteit zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. En wat met het coronavirus? Duwt dat de Chinese economie nog meer uit evenwicht? Het Chinese antwoord op het coronavirus was onhandig, zoveel is duidelijk. Eind december werden de eerste berichten uit Wuhan de kop ingedrukt en geminimaliseerd. De voorzieningen die in 2004 na de SARS-epidemie waren opgericht om zulke uitbraken te controleren, hebben onvoldoende gewerkt. En dan is er nog de Afrikaanse varkenspest, die andere gezondheidscrisis die China niet de baas kan. Hoewel miljoenen varkens werden opgeruimd, bleven volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN ook de voorbije weken nieuwe gevallen opduiken. Die besmettingen dijen snel uit naar buurlanden. Professor Li Defa, een deskundige van de China Agricultural University, berekende dat de pest China al 141 miljard dollar kostte. Zowel in het optreden tegen corona als tegen de varkenspest werd de Chinese overheid geremd door haar eigen censuur, de sterk hiërarchische organisatie van crisisbeheersing en de angst onder lokale leiders om het kind van de rekening te worden. Het Chinese autoritaire systeem heeft de reputatie daadkrachtig te zijn, maar is vaak vooral onhandig. China blijft ook een natuurlijke incubator van gezondheidsproblemen, omdat het hyperconnectiviteit en megasteden combineert met traditie en de realiteit van een ontwikkelingsland. Denk maar aan de 'natte markten' en vleermuizen op het menu. Toch moeten we de dingen ook in perspectief zien. Zouden andere overheden, bijvoorbeeld in Europa, wel zo doortastend zijn bij een dergelijke uitdaging? Wat zullen de gevolgen zijn? Ook hier is de context belangrijk. Het coronavirus komt boven op de varkenspest, boven op de gevolgen van het handelsconflict met de Verenigde Staten en boven op de gevolgen van een groeivertraging die al langer aan de gang was. Net zoals bij de SARS-epidemie zal het coronavirus China zowat 1 procent van de economische groei kosten, zo zijn de schattingen. Tenminste, als het tegen mei de epidemie onder controle krijgt. De modale Chinees zal geconfronteerd worden met hogere prijzen. En met minder werk, want ongeveer 10 procent van de bedrijven ligt nog altijd stil. Dat werpt de volgende vraag op: 1 procent minder groei ten opzichte van welk groeicijfer? Het officiële groeicijfer vorig jaar was 6,1 procent en voor 2020 werd 6,0 procent verwacht. Maar er zijn verschillende redenen om die cijfers te relativeren. Meer betrouwbare indicatoren van de Chinese economische dynamiek schommelden vorig jaar rond de 3 procent: het vervoer via spoorwegen, de elektriciteitsproductie en de binnenlandse verkoop van consumptiegoederen. In 2019 kromp de Chinese invoer met 4 procent. De overheid rapporteerde dat 16 procent van de bedrijven in de industriële sector met verliezen kampte. Ik zou niet graag in de schoenen van president Xi Jinping staan. De Chinese overheid grijpt daarom terug naar haar meest beproefde instrument: leningen. In januari schreven Chinese banken voor 477 miljard dollar aan nieuwe leningen uit, een recordbedrag. Tellen we daar obligaties en andere vormen van krediet bij, dan is dat 685 miljard. De totale Chinese schuld schurkt daarmee aan tegen de symbolische kaap van 300 procent van het bbp. Voor een ontwikkelingsland is dat gigantisch. De voorbije jaren kon China zich die vloedgolf aan krediet veroorloven, omdat bedrijven en vooral gezinnen veel spaarden. Maar die spaartegoeden groeiden in 2019 nog maar amper. China is door zijn financiële reserves aan het branden. Wellicht zal China ook dit obstakel overwinnen, maar financieel zit het wel tegen zijn limieten aan. En er zijn weinig indicaties dat het dit met innovatie of groei in nieuwe dienstensectoren goed kan maken. Niemand heeft wat aan alarmisme. Maar toch blijven we China beter met een flinke dosis voorzichtigheid benaderen.