Meer dan ooit keek de wereld vorige week uit naar de toespraak van de Chinese eerste minister Li Keqiang voor het Volkscongres. Verwacht werd dat hij aan zijn duizenden toehoorders in de Grote Hal van het Volk zou uitleggen hoe de overheid de Chinese economie verder zou hervormen. Zeker nadat de Amerikaanse president Donald Trump het land het mes op de keel had gezet en met harde maatregelen dreigde als de onderlinge handel niet evenwichtiger werd. Wie hoopte op grote veranderingen, kwam evenwel bedrogen uit. Als er al beloften werden gedaan, dan waren dat vooral loze beloften. Maar ook als er ogenschijnlijk niets verandert, blijft het belangrijk om de situatie in China te doorgronden.
...

Meer dan ooit keek de wereld vorige week uit naar de toespraak van de Chinese eerste minister Li Keqiang voor het Volkscongres. Verwacht werd dat hij aan zijn duizenden toehoorders in de Grote Hal van het Volk zou uitleggen hoe de overheid de Chinese economie verder zou hervormen. Zeker nadat de Amerikaanse president Donald Trump het land het mes op de keel had gezet en met harde maatregelen dreigde als de onderlinge handel niet evenwichtiger werd. Wie hoopte op grote veranderingen, kwam evenwel bedrogen uit. Als er al beloften werden gedaan, dan waren dat vooral loze beloften. Maar ook als er ogenschijnlijk niets verandert, blijft het belangrijk om de situatie in China te doorgronden. Premier Li had een waarschuwing voor het Volkscongres in petto. Hij beschreef de situatie als ernstig en complex: 'We bereiden ons maar beter voor op een lange strijd.' In de weken voorafgaand aan het Volkscongres berichtten Chinese kranten uitgebreid over de vertraging van de economische groei, de gestage uitbreiding van de sociale onrust en de verwachting dat dit jaar een recordaantal bedrijven over de kop zal gaan. Vooraanstaande Chinese economen benadrukten zelfs dat China er een hoge prijs voor zal betalen als het zijn economie nu niet vrijer maakt. Want dan zou het miljoenen privébedrijven ontmoedigen om in te zetten op vernieuwing en efficiëntie. Ook China's handelspartners waren ervan overtuigd dat er dit keer iets moest veranderen. Enkele weken terug voorspelden Duitse ambtenaren in Berlijn me enthousiast dat Peking nu eindelijk de bankensector zou vrijmaken en de staatsbedrijven zou ontmantelen. In Brussel, bij de Europese instellingen, maakten beleidsmakers zich sterk dat de Chinese overheid het investeringsklimaat zou verbeteren, obstakels voor buitenlandse bedrijven zou wegnemen en zou afstappen van het technologisch nationalisme dat buitenlandse firma's dwingt hun kennis te delen. Daar kwam dus weinig of niets van uit. De nieuwe regels voor buitenlandse investeerders zijn zo vaag dat lokale Chinese overheden ze zullen blijven interpreteren in het voordeel van de eigen bedrijven. In veel sectoren komen de vage aanpassingen sowieso als vijgen na Pasen. Of het nu gaat om de banken- of de energiesector: Chinese bedrijven staan er dankzij decennialang protectionisme zo sterk dat er voor buitenlandse concurrenten nauwelijks nog wat te verdienen valt. Ook op het gebied van de industrie liet premier Li er geen twijfel over bestaan: de Chinese overheid zou erover blijven waken dat het land 'een machtige industrienatie' wordt. Dat betekent ook nog steeds dat Chinese bedrijven zo veel mogelijk moeten werken met Chinese technologie.De Chinese staatsbanken hebben gewoon te veel kapitaal in de Chinese bedrijven zitten om ze volledig bloot te stellen aan vrije concurrentie met buitenlandse rivalen. Dat zou nog meer faillissementen en dus problemen in de financiële sector kunnen veroorzaken, wat uiteindelijk schadelijk zou zijn voor het aanzien van de Partij. Dat verklaart de Chinese standvastigheid. Er zal dus opnieuw méér krediet verschaft worden aan de bedrijven. Zolang er financiële reserves zijn, zal de overheid die blijven aanboren. De enorme kredietberg, drie keer groter dan het bruto binnenlandse product, baart economen zorgen. Maar de overheid lijkt het probleem nog steeds beheersbaar te vinden, zolang de nieuwe kredieten vooral vloeien naar competitieve industrieën zoals de telecomsector of de robotica. Voor wie hoopte dat Peking vooral zou inzetten op diensten en consumptie: de voorbije drie jaar zijn de investeringen in de industrie opnieuw sneller gegroeid, de investeringen in diensten en de verkoop van de detailhandel stagneerden. Er zijn dus weinig interne redenen voor de Chinese overheid om snel van koers te veranderen. Ondanks de dreigementen van Trump boekte China vorig jaar opnieuw een fenomenaal handelsoverschot van 419 miljard dollar met de VS, en het ziet ernaar uit dat Washington zich door Peking laat paaien met relatief vage beloften. De Europese Unie ligt helemaal op apegapen. Ook daar boekte China een handelsoverschot van meer dan 200 miljard dollar. Het profiteert ervan dat lidstaten zoals België nog nauwelijks waken over hun economische belangen en dat deze Europese Commissie liever een investeringsverdrag met China wil sluiten dan eerlijke handelsrelaties af te dwingen. Dat laatste vergt immers wat meer moed. Op economisch vlak speelt China met stalen zenuwen poker. Wij spelen pietjesbak.