Komt het dan toch goed met Afrika? In gesprekken met vooraanstaande Afrikaanse denkers gaat Knack de komende weken op zoek naar Afrikaanse landen en overheden die de weg wijzen.
...

Sinds Somaliland zich in 1991 na een bittere burgeroorlog onafhankelijk verklaarde, geldt het oude Britse protectoraat als een soort grootschalig openluchtlaboratorium. Nog steeds wordt Somaliland door geen enkel ander land erkend en is het dus verstoken van ontwikkelingshulp, goedkope leningen en buitenlandse investeringen. De armlastige republiek heeft een chronisch geldtekort en moet nagenoeg alle overheidstaken aan de privésector overlaten. Toch is Somaliland al bijna dertig jaar een democratie, heerst er vrede en toont het systeem een opmerkelijke stabiliteit. Mohamed Fadal maakte als tiener de euforie van de hereniging mee, toen Brits en Italiaans Somaliland in 1960 verenigd werden in de staat Somalië. Maar algauw zag hij het land afglijden naar een brutale militaire dictatuur. Nadat in 1986 de burgeroorlog was uitgebroken en tientallen Somalilandse intellectuelen werden vermoord door het regime, ontvluchtte hij het land. Hij kreeg onderdak in Canada, waar hem een uitgelezen academische carrière in het verschiet lag. Maar toen Somaliland in 1991 de onafhankelijkheid uitriep, kon Fadal niet anders dan terugkeren. Hij werd minister van Planning, tekende het kiessysteem uit en schreef mee aan de grondwet. Vandaag leidt hij het Social Research and Development Institute, de meest vooraanstaande denktank van het land. Fadal: 'De hoofdstad Hargeisa lag in puin toen ik hier aankwam. Er waren overal milities en landmijnen. 's Nachts hoorde je voortdurend geweerschoten. Mensen dwaalden rond als geesten, leefden in kapotgebombardeerde huizen, zonder ramen of deuren. Het contrast met vandaag kan niet groter zijn. U zult hier geen enkel gebouw vinden dat nog sporen draagt van de gevechten. Ja, er is nog veel armoede, maar de economie groeit, er is democratie, onze kinderen gaan naar school. Dat is iets wat mij met trots vervult.' Hoe was het om in de beginjaren minister te zijn in Somaliland? Mohamed Fadal: Er was een acuut tekort aan letterlijk alles. De regering had een budget van amper 30 miljoen dollar, voor een bevolking van ongeveer 4 miljoen. Ik had niet eens een vast gebouw om mijn ministerie in onder te brengen. We hadden geen toegang tot de internationale markt, geen banksysteem, er werden op geen enkele manier belastingen geheven. Onze enige inkomstenbron was de haven van Berbera. Het was één lange improvisatieoefening. Hoe zou u het Somalilandse systeem beschrijven? Fadal: De basis van alles in Somaliland is zelfvoorziening. De overheid heeft nauwelijks middelen, dus je leert je plan trekken. Somaliland is het enige land in Afrika dat geen gebruik kan maken van goedkope leningen of steunfondsen. We hebben momenteel een budget van 400 miljoen dollar, dat we her en der bijeenschrapen. Daardoor is er nauwelijks een publieke sector. De overheid zorgt voor regulering, organiseert verkiezingen en bewaart de vrede, en dat is het zowat. Ziekenhuizen, onderwijs, energievoorziening: alles wordt overgelaten aan de bevolking en de privésector. Wat hebt u tijdens uw ministerschap geleerd? Fadal: Het voornaamste probleem was dat de bevolking van Somaliland aanvankelijk zeer wantrouwig stond tegenover de overheid. Dat is ook logisch, want ze had net een verschrikkelijke dictatuur meegemaakt waarin de staat alles probeerde te controleren. Toen de staat instortte, heeft de bevolking de macht overgenomen. Toen ik in 1992 terugkeerde, werd alles gecontroleerd door milities. Je moest dus met ze onderhandelen en hen overtuigen om die macht aan de staat terug te geven. Een overheid kan alleen iets verwezenlijken als de bevolking het echt wil. Hoe organiseert zo'n armlastige overheid zijn ordehandhaving? Fadal: Onze politie komt voornamelijk voort uit de Somali National Movement, de guerrillabeweging die Somaliland in 1991 heeft bevrijd. Toen Somaliland onafhankelijk werd, zijn de milities grotendeels in het leger en de politiediensten opgenomen. Dat was eigenlijk een manier om hen te demobiliseren. Iedereen die bij de politie wil, moet zijn eigen wapen meebrengen. Op die manier komen die wapens opnieuw in handen van de staat. Vervolgens krijgen ze een opleiding bij de politieschool. Veel van die gasten hebben ongekende wreedheden begaan. Meer dan een politieopleiding is onze politieschool een herintegratieproject: we maken weer mensen van hen. Welke rol speelt de overheid in de economie? Fadal: Onze grondwet bepaalt dat Somaliland een vrijemarkteconomie is. De overheid treedt op als regulator, maar speelt geen actieve rol. Onze voornaamste inkomsten komen uit de export van vee. Een andere grote bron van inkomsten zijn de remittances: een groot deel van onze families wordt gesponsord door verwanten in het buitenland. Al staat die inkomstenstroom door de coronapandemie zwaar onder druk. Het grootste probleem is de infrastructuur. Als je een fabriek wilt bouwen, moet je wegen aanleggen, in elektriciteit voorzien, voor stromend water zorgen. Dat maakt het natuurlijk heel moeilijk om concurrentieel te zijn. We hebben bovendien het probleem dat we een open economie zijn, waardoor zowat alles geïmporteerd wordt, vooral uit China. Het is bijna onmogelijk om zelf goederen te produceren, omdat dat altijd duurder uitvalt. Dat is een probleem in heel Afrika. Kijk naar een land als Kenia. Dat had twintig jaar geleden nog een fantastische textielindustrie. Maar tegenwoordig kun je er geen lokaal geproduceerd hemd of shirt meer kopen. Vindt u de groeiende rol van China dan geen goede zaak voor Afrikaanse landen? Fadal: Het is een goede zaak dat China investeert in luchthavens, havens, snelwegen en spoorverbindingen. Maar de gigantische Chinese import van consumptiegoederen is een groot probleem voor Afrika. Daardoor is het erg moeilijk om een eigen industriesector te ontwikkelen. Hoe opmerkelijk is het dat Somaliland nog steeds een democratie is? Fadal: Democratie is een onlosmakelijk deel van onze cultuur. (grinnikt) Richard Burton, een van de eerste reizigers die in de negentiende eeuw in Somaliland kwam, noemde ons al een 'woest en turbulent ras van republikeinen'. Somaliland heeft in zijn geschiedenis nooit slavernij gekend. Er is nooit een clan geweest die de andere heeft onderworpen. In ons systeem hebben we die cultuur van overleg en clanstructuren gecombineerd met het Europese parlementaire systeem. Het is democratisch, maar met beperkingen. Op welke manier? Fadal: Er zijn maximaal drie nationale partijen toegelaten. Ik kan vandaag bijvoorbeeld geen partij oprichten. Om de tien jaar houden we een selectieproces, waarbij de drie populairste partijen overblijven en zich verkiesbaar kunnen stellen bij de parlementsverkiezingen. Vanwaar die beperking? Fadal: Tussen 1950 en 1969 hadden we geen beperkingen, en toen hadden we binnen de kortste keren 80 partijen. Op een bevolking van amper 2 miljoen! Dat leidde tot anarchie en chaos. Als we vrije concurrentie van partijen zouden toelaten, zou elke clan zijn eigen partij vormen en zou ons systeem onherroepelijk fragmenteren. Door maximaal drie partijen toe te laten, zijn de clans gedwongen om samen te werken. Wat is de voornaamste uitdaging binnen het Somalilandse systeem? Fadal: Het is enorm moeilijk om verkiezingen te organiseren. We hebben er te weinig middelen voor. Bovendien komen parlementsleden snel in de verleiding om de verkiezingen uit te stellen, zodat ze langer hun zetel behouden. Dat is problematisch, want daardoor keert de bevolking zich af van het systeem. Sowieso moet alles constant overlegd worden. Dat vertraagt de besluitvorming, maar het is de enige manier waarop het land kan werken. Denkt u dat dit model duurzaam is? Fadal: (zucht) Veel presidenten zijn niet afkerig van dictatoriale macht. Dahir Riyale Kahin, de tweede president, heeft het systeem bijna doen instorten omdat hij de verkiezingen tot drie keer toe met een half jaar heeft uitgesteld. Maar finaal heeft hij de verkiezingen verloren, en is hij afgetreden. Onze huidige president is een ex-militair. Het is voorlopig niet duidelijk of hij dictatoriale neigingen heeft. Maar geloof me, het zal heel moeilijk worden om een dictatuur te vestigen. Somalilanders zijn te zeer gesteld op hun vrijheid. Het trauma van de dictatuur is te sterk.U benadrukt het belang van vrijhandel in Somaliland. Staan de buurlanden daarvoor open? Fadal: Onze voornaamste uitdaging is integratie met de buurlanden. Wij zijn een volk van handelaars en ondernemers. Maar we hebben amper toegang tot onze buurlanden. Mijn voornaamste hoop is dat we binnenkort met Ethiopië handel zullen kunnen drijven. Er is al lange tijd een plan om een corridor tussen Ethiopië en de haven van Berbera te maken, maar de gesprekken zijn alweer stilgevallen. Sowieso is regionale integratie een van de grote uitdagingen voor Afrika. In verschillende delen van Afrika zie je dat er regionale blokken ontstaan van landen die hun economieën voor elkaar openen. Dat is een zeer positieve evolutie. Jammer genoeg staat de Hoorn van Afrika daarin nog nergens. Wat zijn de gevolgen van het feit dat Somaliland niet erkend wordt? Fadal: De impact is enorm. De wereld is een globaal dorp. Door niet erkend te zijn, missen wij de boot. We zijn niet aangesloten op het internationale banksysteem, waardoor het haast onmogelijk is om buitenlandse investeringen binnen te halen. We kunnen niet samenwerken met buitenlandse universiteiten. En we hebben natuurlijk een jaloerse 'Grote Broer': elk land dat ons niet negeert, wordt geïntimideerd door Somalië. Dat is jammer, want Somaliland gedraagt zich echt als een land dat erbij wil horen. In tegenstelling tot Somalië worden onze burgers geen piraten of jihadisten. In vergelijking met Somalië doet Somaliland het opmerkelijk goed. Fadal: Ach, zo zit de wereld in elkaar. Iedereen let enkel op de crises. In Somaliland is er al dertig jaar vrede. (grinnikt) Op de duur vergeet iedereen dat je bestaat. Maar in Somalië zijn er jihadisten, piraten en chaos. En dus gooit de internationale gemeenschap met miljarden naar Somalië, en blijft alles bij het oude. Al dat ontwikkelingsgeld kweekt alleen maar meer corruptie en piraterij. Somaliland heeft zich staande gehouden zonder de miljardensteun die veel andere Afrikaanse landen hebben ontvangen. Wilt u dat zo houden? Fadal: Dat is een klassieke denkfout. Het is niet omdat Somaliland zich staande heeft gehouden zonder ontwikkelingshulp, dat dat zo moet blijven. Wat moet je zonder geld? Hoe kun je ooit een staat opbouwen zonder geld van buitenaf? Tal van Afrikaanse economen beweren dat ontwikkelingshulp in veel Afrikaanse landen een rampzalige rol heeft gespeeld. Waarom zou dat niet gelden voor Somaliland? Fadal: Ik geef u gelijk dat we daar in de jaren negentig niet klaar voor waren. Zolang we nog geen grondwet hadden en onze instellingen aan het opbouwen waren, zou ontwikkelingsgeld ons enkel afgeleid hebben. Maar tegenwoordig zou het echt van pas komen. De overheid en de privésector zijn er klaar voor, er zijn enorm veel getalenteerde en goed opgeleide jongeren die maar wat graag aan het werk zouden gaan. Veel van die jongeren wagen tegenwoordig de oversteek naar Europa. Fadal: Ik heb al vaak met zulke jongeren gesproken. Weten jullie wel wat voor risico's jullie nemen, vroeg ik hen dan. Ik kreeg altijd hetzelfde antwoord: waarom zou ik hier blijven? Die jongeren hebben een diploma, maar vinden gewoon geen werk. Hoe moet Europa met het migratievraagstuk omgaan? Fadal: De jongeren die de oversteek wagen, zullen blijven komen, want ze zijn wanhopig. Hoe sterk je het Fort rond Europa ook maakt, je zult migranten die wanhopig zijn nooit allemaal kunnen tegenhouden. Het enige wat je kunt doen, is investeren in Afrikaanse economieën. Dat hoeft niet eens slecht te zijn voor Europa. Europese bedrijven kunnen hier prima geld verdienen en tegelijk ook voor lokale werkgelegenheid zorgen. Somaliland heeft bijvoorbeeld mineralen en olievoorraden, die nu niet ontgonnen worden. Het is braakliggend terrein. En de bevolking hier wil niets liever dan ondernemen, buitenlanders worden hier verwelkomd. Waarom zou Europa die kans laten liggen? Maar de internationale gemeenschap wil enkel met natiestaten werken. Fadal: Ik snap dat, want het valt niet mee om met clans te werken. De internationale gemeenschap heeft een gesprekspartner nodig. Ze wil op de foto kunnen met een regeringsleider. Ze heeft dus liever een disfunctionele regering in Somalië dan een grassrootsbeweging in Somaliland. Ik denk dat dat een vergissing is. Je kunt als internationale gemeenschap meer impact hebben als je decentralisering steunt. Leidt die decentralisering niet tot versplintering? Fadal: In Afrika heb je eigenlijk twee mogelijkheden. Ofwel word je een dictator die alles wil bepalen en al het geld wil controleren, of je geeft de regio's de mogelijkheid om hun eigen boontjes te doppen. Ik denk dat enkel decentralisering kan werken, omdat Afrikaanse culturen doorgaans erg gedecentraliseerd zijn. Ik denk niet dat het Chinese systeem, met een sterke centrale overheid, in Afrika kan werken. China heeft een imperiale cultuur. In Afrika bestaat dat bijna niet. Bestaat er ook geen risico als Somaliland een olie-industrie ontwikkelt? Olie zorgt zelden voor democratisering en ontwikkeling, en vergroot doorgaans interne conflicten. Fadal: Ik geef u gelijk dat grondstoffen voor veel Afrikaanse landen een vloek blijken. Ik beweer niet dat wij daarvoor immuun zouden zijn. Maar eerlijk: ik zou de olie-industrie hier verwelkomen. Mensen lijden hier al zo lang extreme armoede, dat eender wat goed is om hen uit de huidige situatie te redden. Ja, er is een risico dat de olie-industrie voor corruptie en ongelijkheid kan zorgen, maar het is een uitdaging die we moeten aangaan. Ik geloof dat we de ergste uitwassen zouden kunnen opvangen. We hebben het echt nodig. Wat moeten andere Afrikaanse landen leren van Somaliland? Fadal: Ze kunnen leren van de manier waarop wij conflicten beheersen. Als er ergens onlusten zijn, hebben veel Afrikaanse landen de gewoonte om hun leger te sturen, dat de opstand of de rellen met geweld onderdrukt. Wij gaan altijd voor dialoog en consensusbouw. Onlangs hadden we een kolonel die uit onvrede een guerrilla tegen de overheid was begonnen. Samen met een 900-tal manschappen had hij zich verschanst in Puntland, de regio waarmee we officieel in oorlog zijn. Maar de clan waartoe hij behoort is op hem gaan inpraten, en heeft hem kunnen overtuigen om in ruil voor amnestie de wapens neer te leggen. Dat is natuurlijk een stuk moeilijker dan gewoon het leger sturen, maar de oplossingen zijn wel een stuk duurzamer. Wat andere landen ook van ons kunnen leren, is hoe we met noodtoestanden omgaan. We hebben hier de voorbije jaren verschrikkelijke droogtes meegemaakt, waarbij soms wel 8 procent van onze veestapel van de dorst stierf. Onze overheid heeft niet het geld om daarvoor te compenseren, en dus is ze samen met de privésector op zoek gegaan naar middelen. Uiteindelijk hebben we zo 10 miljoen dollar gevonden om de ergste nood te ledigen. Tijdens de laatste droogte hebben we zelfs voor miljoenen hulp gebracht aan Somalië, zelfs al zijn we officieel aartsvijanden. Hebt u ooit spijt dat u bent teruggekeerd? U had in Canada ongetwijfeld een comfortabele academische carrière kunnen uitbouwen. Fadal:(lacht) Het zou inderdaad veel gemakkelijker geweest zijn om in Canada te blijven. Ik had er een zeer comfortabel leven kunnen uitbouwen. En toch voelde ik na de onafhankelijkheid dat ik absoluut terug moest. Eerst en vooral geloof ik in de Somalilanders. Ze hebben dertig jaar in een verschrikkelijke dictatuur geleefd en een verschrikkelijke oorlog meegemaakt. Ik weet dat ze verlangen naar vrijheid. Toen de onafhankelijkheid kwam, wilde ik absoluut teruggaan. Ik wilde mijn steentje bijdragen aan de heropbouw. Ik vind dat ik hen dat verschuldigd ben. Ik heb hier zelf altijd volledig gratis naar school kunnen gaan en studeren. Ik wil iets teruggeven voor de kansen die zij me gegeven hebben.