Nu het Verenigd Koninkrijk omstreeks 2020 uit de Europese Unie zou verdwijnen, heeft dat ook implicaties op het Europese budget. Europees Commissaris voor Begroting en Personeelszaken Günther Oettinger wil dat elke lidstaat in de Europese Unie in de toekomst proportioneel evenveel bijdraagt aan de Europese kassa.
...

Nu het Verenigd Koninkrijk omstreeks 2020 uit de Europese Unie zou verdwijnen, heeft dat ook implicaties op het Europese budget. Europees Commissaris voor Begroting en Personeelszaken Günther Oettinger wil dat elke lidstaat in de Europese Unie in de toekomst proportioneel evenveel bijdraagt aan de Europese kassa. Het Verenigd Koninkrijk betaalt al enkele decennia minder omdat het in vergelijking met andere landen ook minder terugkrijgt van de Europese Unie. Maar ook Denemarken, Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden krijgen een 'korting' op de bijdrage die ze jaarlijks aan de begroting betalen. En voor Oostenrijk, Duitsland, Zweden en Nederland is er zelfs een korting op de korting van het Verenigd Koninkrijk. 'Er zal een herverdeling moeten komen van de bijdragen aan het Europese budget eens de brexit is afgerond, zegt Peter Bursens, professor Europese Politiek aan de Universiteit van Antwerpen. 'De vraag die moet worden gesteld is of het Europese budget met een minder aantal landen even hoog zal blijven. Momenteel is er weinig animo om het Europees budget te verhogen, en ook België is daar geen voorstander van. Maar indien het budget even groot blijft en het Verenigd Koninkrijk verdwijnt, zal België uiteraard meer moeten betalen dan het nu al doet.'Maar hoe komt het eigenlijk dat verscheidene landen nog steeds minder moeten betalen dan andere lidstaten? Alles begon op de Europese Raad van 21 april 1970 in Luxemburg. Daar ondertekenen de zes stichtende landen, onder leiding van de Belgische christendemocraat en toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Pierre Harmel, dat de toenmalige Europese Gemeenschap haar 'eigen' onafhankelijk budget zou krijgen. Dat werd voortaan gefinancierd door een automatische financiële transfer van de lidstaten naar de Gemeenschap.Het budget was afkomstig van landbouwheffingen, 1 procent van de nationale btw-inkomsten en de douane-inkomsten die de zes lidstaten ontvingen door handel met andere landen - goed voor 3,5 miljard euro in datzelfde jaar. Het gros van het budget van de Europese Unie werd besteed aan het Europese landbouwbeleid, de Common Agricultural Policy(CAP) genaamd, goed voor zeventig procent van de uitgaven. Enkele jaren later, in 1973, treedt het Verenigd Koninkrijk toe tot de Europese Unie, samen met Denemarken en Ierland. Over het kanaal groeit al snel onvrede over het bedrag dat ze moesten betalen. Aangezien het Verenigd Koninkrijk meer handel dreef met landen in de rest van de wereld dan de andere lidstaten was haar bijdrage een stuk hoger dan van de andere lidstaten. Daarbovenop had het Verenigd Koninkrijk een erg kleine landbouwsector waardoor ze weinig investeringen terugkregen. Voor elke twee pond die het Verenigd Koninkrijk in de EEG stak, kreeg het er slechts een terug. Daarom werd er op twee Europese Raden in 1975 en 1979 een tijdelijk mechanisme geïmplementeerd dat het betalingssysteem deels moest corrigeren. Ondanks deze mechanismen verdween de onvrede in Londen niet. Op de conferentie van Fontainebleau in 1984 wilden de Europese landen het totaalbudget van de Europese Gemeenschap verhogen omdat het budget hoe langer hoe meer ontoereikend bleek voor de nodige uitgaven. Dat was echter buiten toenmalig premier van het Verenigd Koninkrijk Margaret Thatcher gerekend, die de totale bijdragen slechts wilde verhogen indien er een definitief correctiemechanisme kwam. Bovendien was Thachter niet echt happig op verdere integratie in de Europese Unie. Thatcher eiste dat ze jaarlijks om en bij de 730 miljoen pond zou terugkrijgen, maar ze kreeg slechts een aanbod van 580 miljoen pond. Misnoegd keerde ze terug naar Downing Street, waarop Frankrijk en Italië dreigden om de korting van dat jaar, goed voor 480 miljoen pond, in te houden. Uiteindelijk kwamen de Europese leiders tot een compromis van 600 miljoen euro. Dat wilde zeggen dat het Verenigd Koninkrijk vanaf dan slechts veertig procent zou moeten betalen van het oorspronkelijke bedrag. Tussen 1992 en 2005 liep de korting op tot een gemiddelde van 3,8 miljard euro.Omdat het Europese budget ondanks de korting van het Verenigd Koninkrijk niet naar omlaag mocht gaan, moest die worden bijgepast door de andere lidstaten. Enkel Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden, kregen zelf een korting van 75 procent op de korting. Zij vonden immers dat ze al genoeg bijdroegen aan het Europese budget en vonden het daarom oneerlijk dat ze ook nog eens mede voor de korting van de Europese Unie moesten opdraaien. Dat maakt dat België verhoudingsgewijs meer dan drie maal zoveel betaalt aan de bijpassing dan Nederland. In 1988 werd de berekening van het Europees budget aangepast. Doordat de internationale handelsmarkt stapsgewijs werd vrijgemaakt en de importheffingen zijn gedaald onder invloed van de Wereldhandelsorganisatie, gingen de directe inkomsten naar beneden. Dat moest natuurlijk worden gecompenseerd en voortaan zouden landen ook een bijdrage moeten betalen op basis van het bruto nationaal inkomen (bni), de zogenaamde indirecte inkomsten. Deze indirecte inkomsten werden voor de Gemeenschap gaandeweg de belangrijkste inkomensbron. Waren de bni-inkomsten in 1996 nog goed voor 30 procent van het gehele Europese budget, in 2009 maakten ze 71 procent van het budget uit.'Ondanks het feit dat er vaste regels zijn die bepalen hoeveel elke lidstaat zou moeten betalen, is er ook hier nog steeds een politieke onderhandelingsmarge om toch minder bij te moeten dragen', zegt Peter Bursens. Om de zeven jaar onderhandelen de Europese lidstaten over een aantal regels waaraan de jaarlijkse begroting moet voldoen, ook wel het Multiannual Financial Framework (MFF) genoemd. Tijdens die onderhandelingen in 2013 hebben Nederland, Zweden, Duitsland, Oostenrijk en Denemarken tot 2020 een korting weten te versieren. 'De Europese begroting staat nergens in een verdrag. Er wordt simpelweg een politieke afspraak gemaakt, die het resultaat is van onderhandelingen op het hoogste niveau, iets wat die vijf landen goed hebben aangepakt. Dat ons land er niet in geslaagd is, is het resultaat van een typisch staaltje Belgische koterij', aldus Bursens.België betaalt in relatief opzicht momenteel erg veel aan het Europees budget. Dat is immers het solidariteitsprincipe van de Europese Unie; rijke landen betalen nu eenmaal meer dan arme landen. 'Hoeveel elke lidstaat precies zal moeten bijdragen na de brexit is nog niet duidelijk. En dat is net de moeilijkheid, want elke lidstaat gaat tot in de puntjes bestuderen wat dit voor hen betekent', zegt Bursens. Sinds 1970 is de samenstelling van de bijdragen aan het Europese budget dus een erg complex kluwen geworden. Daarom willen Europese federalisten zoals Guy Verhofstadt (ALDE) en Eurocommissaris Oettinger het momentum van de brexit aangrijpen om het systeem te vereenvoudigen. Guy Verhofstadt opperde al meermaals om een Europese belasting in te voeren. 'Er gaan inderdaad stemmen op om het hele systeem te vereenvoudigen en om te vormen tot een soort van individuele Europese belasting die rechtstreeks naar de Europese Unie zou vloeien. Dat moet het huidige solidariteitsmechanisme vervangen. Er is sprake van een proportionele progressieve belasting, waarbij mensen die meer verdienen meer bijdragen aan de Unie dan mensen die minder verdienen.''Een vereenvoudiging van de huidige begrotingsregels is alvast welkom', zegt Bursens. 'Momenteel wordt er erg veel tijd en politieke energie gestoken in de onderhandelingen over het budget. Dat alleen al zou winst opleveren.' 'Dat ligt erg gevoelig, want dat betekent dat een internationale organisatie plots de bevoegdheid krijgt om belastingen te heffen. Dat behoort nu uitsluitend tot de bevoegdheden van de lidstaten. Zelfs voor lidstaten die de Europese Unie goed gezind zijn is dat al gauw een stap te ver. Voor de eurosceptische landen is zo een hervorming absoluut uit den boze.' Een Europese belasting lijkt dan ook niet heel realistisch. Dat zou immers een verdragswijziging vereisen waarvoor een unanieme meerderheid nodig in de Europese Raad. Daarvoor moet er in onder andere Denemarken en Oostenrijk een referendum worden georganiseerd, iets waar eurosceptische partijen garen bij zouden kunnen spinnen. Ook al is het niet erg waarschijnlijk dat we binnenkort Europese belastingen zullen betalen, toch vindt Bursens het niet zo'n gek idee. 'Zo zullen de Europese burgers zich meer gaan identificeren met de Unie. Als u in uw gemeente belastingen betaalt, wordt vervolgens het huisvuil opgehaald. Als u dat in Vlaanderen doet, ontvangt u kinderbijslag. Als we ook rechtstreeks iets van de Europese Unie terugkrijgen, wordt het een pak zichtbaarder in ons dagelijks leven. Politiek gezien is dat een erg zinvol idee.'