Zijn dochter Rashed doet de deur open. Elf jaar is ze nu, een verlegen meisje met lang krullend haar. Ik herinner me haar als tweejarige peuter. Ze reed samen met haar broertje Omar, die toen vier was, op kinderfietsjes door de gangen van het Dar al Shifa-ziekenhuis, in hartje Aleppo. Het was oktober 2012, de periode dat de oude handelsstad in het noordwesten van Syrië bekendstond als 'de hel op aarde'.
...

Zijn dochter Rashed doet de deur open. Elf jaar is ze nu, een verlegen meisje met lang krullend haar. Ik herinner me haar als tweejarige peuter. Ze reed samen met haar broertje Omar, die toen vier was, op kinderfietsjes door de gangen van het Dar al Shifa-ziekenhuis, in hartje Aleppo. Het was oktober 2012, de periode dat de oude handelsstad in het noordwesten van Syrië bekendstond als 'de hel op aarde'. Rashed en Omar woonden er middenin. Als hoofdarts moest hun vader dag en nacht paraat staan op de spoedafdeling om gewonde burgers, kinderen en rebellen op te vangen. Alleen was het hele ziekenhuis een spoedafdeling geworden. De oorlog raasde dag en nacht door, het aantal gewonden was nauwelijks bij te benen. Intussen werd het ziekenhuis ook zelf aangevallen door het regeringsleger. 'Assad wil mij en mijn collega's dood', vertelde dokter Osman me destijds. 'Een dokter behandelt honderden mensen, ook soldaten van het Vrije Syrische Leger. Als je de arts vermoordt, sterft de rest ook.' Dus nam het gezin Osman een besluit. De ouders zouden met hun twee kleine kinderen hun intrek in het ziekenhuis nemen. Het was samen leven of samen sterven, zei Osmans vrouw. Toen het ziekenhuis in november 2012 door een precisiebombardement van de kaart werd geveegd, behoorde het gezin tot de gelukkigen die het overleefd hadden. Ze waren die dag op familiebezoek. Vijfentwintig anderen kwamen wel om het leven, onder wie vier vrijwilligers van het medische team. Osman bracht zijn vrouw en kinderen noodgedwongen over naar een schuilplaats en ging door met zijn werk. Hij was bijna twee jaar actief in kleine, ondergrondse ziekenhuizen. Toen ik hem in 2014 opnieuw opzocht, in een tot puin herleide stad waar de vatenbommen onophoudelijk uit helikopters werden gedropt, benadrukte hij dat hij er nog altijd niet aan dacht om het land te verlaten. 'Wie zorgt er anders voor de achterblijvers?' zei hij. 'Als wij vertrekken, blijft het land achter in handen van extremisten. Dat betekent de dood voor Syrië.' In 2019 hoorde ik via Osmans familie in Frankrijk dat hij zeven maanden na onze laatste ontmoeting toch was gevlucht. Dokter Osman woonde met zijn gezin in een buitenwijk van het Duitse Trier, waar hij aan de slag was als algemeen chirurg in het streekziekenhuis. Zijn gezicht duikt achter zijn dochter op in de deuropening. Osman is nauwelijks veranderd. Ook al is hij zeven jaar ouder, hij ziet er minder getekend uit, minder vermoeid ook. Zijn vrouw Fatimah is bezig in de keuken. Eerst moeten we eten. Op zijn Syrisch - veel, meer en nog meer. 'Ik dacht er vanochtend nog aan', zegt hij aan tafel. 'Hoe onze groep vrienden van de universiteit van Aleppo op een avond in 2003 bij elkaar zat. We waren begin twintig en probeerden ons voor te stellen waar we over 10 jaar zouden zijn. Iedereen vertelde over zijn plannen, ik zei dat ik dan waarschijnlijk les zou geven aan de universiteit als hoogleraar geneeskunde.' Het blijft een tijdje stil. 'Niemand van die groep heeft zijn dromen kunnen waarmaken', gaat hij verder. 'Het is voor iedereen anders verlopen.' De kinderen herinneren zich niets meer van hun tijd in Aleppo, zegt Fatimah. Ze kijkt naar haar man. 'Maar wij weten het nog precies. De bommen, het bloed, de levenloze kinderen die door hysterische ouders werden binnengebracht. Ik hoor de moeders nog schreeuwen.' Als we na de maaltijd in de woonkamer zitten, met het licht van de avondzon dat door de wijdopen vensters valt, begint dokter Osman zijn verhaal. Hij zal blijven praten, tot ver na middernacht, wanneer de kamer al uren in duisternis is gehuld. 'Toen ik in juli 2012 in het Dar al Shifa-ziekenhuis aan de slag ging, was er weinig aanwezig. Ik nam een verpleegster en een röntgenapparaat mee, verzamelde zo veel mogelijk medisch materiaal en zette de boel op poten. Het was een privéziekenhuis, het had niets met de overheid te maken. Voor mij was het een bewuste keuze om er te werken. Sinds de oorlog was begonnen (in 2011, nvdr), had het regime me twee keer gearresteerd en gevangengezet, op verdenking van samenwerking met "terroristen". In werkelijkheid waren dat jeugdvrienden die ik af en toe nog zag, zonder enige politieke bedoeling. Ik liep soms mee in demonstraties tegen het regime, maar verder gingen mijn activiteiten niet.' Vanaf zijn eerste werkdag in het Dar al Shifa-ziekenhuis was het een komen en gaan van gewonden. De arts had vooral rebellen verwacht, maar werd overrompeld door de grote aantallen zwaargewonde burgers, onder wie heel wat kinderen. In het begin ging hij 's avonds terug naar huis. Maar toen er 's nachts iemand stierf omdat er geen arts ter plaatse was, besloot Osman dat hij ook 's nachts in het ziekenhuis aanwezig moest zijn. Vanaf dat moment zat hij met zijn gezin midden in de waanzin van de oorlog. 'Ik kreeg de meest uiteenlopende gewonden en zieken binnen, behandelde alle soorten letsels en stuurde patiënten daarna door als dat nodig was. We werkten uren, dagen, nachten. Alles liep in elkaar over. Tijd werd een abstract begrip.' Omdat het ziekenhuis rebellen opving, was het gebouw ook doelwit van het regeringsleger. 'Ik denk dat we meer dan twintig keer zijn bestookt door raketten en granaten. Het gebouw had zes verdiepingen, wij zaten beneden, daar was het redelijk veilig. Als er weer eens een aanval was, schuilden we met zijn allen in de kelder en wachtten we af. Het gebouw werd verschillende keren geraakt, maar de kelder en de eerste drie verdiepingen bleven intact. Dus werkten we voort.' De dreiging van een bombardement was constant aanwezig. Maar Osman wilde niet toegeven aan de angst. Hij was naïef en veel te optimistisch, vindt hij nu. 'We begrepen dat we offers moesten brengen voor de revolutie, maar op het einde zou het recht geschieden. We zouden winnen en er goed uitkomen, daar waren we van overtuigd. Ik geloofde ook dat God me zou helpen, omdat ik me als arts inzette voor anderen. Ook toen mijn vrienden omkwamen, bleef ik geloven in een toeleefde het niet. Toen ik vroeg hoe hij een hartstilstand had kunnen krijgen, gaf een van mijn collega's toe dat hij de man een injectie had gegeven met de bedoeling hem te doden. Daarna besefte ik dat minstens twee of drie andere soldaten hetzelfde was overkomen. Ze werden met opzet gedood, in het ziekenhuis, door collega-artsen. Ontoelaatbaar natuurlijk, ik moest optreden. Ik heb mijn collega aangeklaagd, maar de rechter heeft de man vrijgesproken omdat het in een "extreme oorlogssituatie" was gebeurd. Terwijl het louter om wraak ging.' 'In 2013 moesten we ook IS-leden behandelen. Mannen die mensen van ons hadden gedood. Zo moest ik een IS-strijder behandelen die een kogel in zijn rug had gekregen en verlamd was geraakt. Ik herkende de man, wist dat hij de avond voordien nog mensen had gefolterd. Ik vond dat hij het verdiende om totaal verlamd te zijn. Toch heb ik hem geholpen. Op zo'n moment móét je je verstand op nul zetten. Anders houd je het geen dag langer vol.' Het is weer een tijdje stil. De koele avondlucht stroomt binnen. We zitten in het donker, drinken thee en horen in de verte de geluiden van de stad. Eigenlijk had hij in Syrië willen blijven, bekent hij. 'Ik ben uiteindelijk weggegaan vanwege mijn gezin. Mijn kinderen waren nog zo klein, mijn vrouw nog zo jong. Voor hen was er een andere, betere toekomst.' Het woord spijt wil hij niet uitspreken. Maar het hangt in de lucht. 'Toen ik hier pas woonde, heb ik me vaak afgevraagd wat het nut van mijn bestaan was. Als ik niet kon doen wat ik echt wilde, wat had het dan voor zin?' Het moderne ziekenhuis waar hij nu werkt, is een fantastische werkplek, vervolgt hij. 'Ik ben dankbaar dat ik hier terechtkan, ik doe mijn werk graag. Maar ik heb het moeilijk met de realiteit dat de zieken en gewonden in Syrië zo veel minder mogelijkheden hebben dan de mensen hier. Ik besef dat ik de wereld niet kan veranderen, maar als ik over enkele jaren een Duits paspoort krijg, ga ik wellicht toch terug, met Artsen Zonder Grenzen of het Rode Kruis. Als mijn kinderen groot zijn en hun eigen leven leiden, ben ik vrij. Eigenlijk weet ik al wat ik ga doen. Ik vrees dat het sterker is dan mezelf.'