Opinie

‘Als Poetin spreekt over Moskou als het ‘Derde Rome’, dan gaat dat niet enkel over verre geschiedenis’

Religiehistoricus Karim Schelkens gaat dieper in op de link tussen religie en nationalisme in de Oekraïnepolitiek van Rusland, en staat stil bij de gouden kooi van de patriarch Kirill van Moskou.

Het viel weinigen op dat Vladimir Poetin de laatste jaren steeds vaker over Rusland, en met name Moskou sprak als “Derde Rome”. Toch is het geen detail, en hoewel politieke analisten als Beatrice de Graaf terecht het bruggetje maken naar het oude Rome, naar Constantinopel als opvolger, en tenslotte Moskou als bestuurlijk machtscentrum, gaat het in de verwijzingen vandaag niet enkel om die verre geschiedenis. Wanneer Poetin Moskou het derde Rome noemt, hanteert hij een begrippenkader dat in de orthodoxe wereld nog steeds actueel is, het gaat dan om drie patriarchaten en hun invloedssfeer … De Russische invasie in Oekraïne, die de schijnbaar ingeslapen Koude Oorlog lijkt te doen ontwaken, is intussen meer dan een strijd om politieke macht, militair overwicht, of om grondgebied.

De onderlaag ervan raakt de (religieuze) identiteit van gemeenschappen. Terwijl het seculiere West-Europa hier onwennig tegenover staat, verrast dit niet voor wie weleens naar de voormalig communistische wereld afreisde. In vroegere sovjetsatellietstaten als Georgië, Roemenië, Armenië en Oekraïne liggen religie en politiek onvermijdelijk in elkaars verlengde en is de vermenging ervan met nationalisme zelden ver te zoeken.

Als Poetin spreekt over Moskou als het ‘Derde Rome’, dan gaat dat niet enkel over verre geschiedenis.

Het Rusland van Poetin is daarop geen uitzondering, al neemt de Russisch-Orthodoxe kerk sinds 1990 een aparte plek in het plaatje in. Sporadisch slechts bereikt de zetel van het patriarchaat in Zagorsk onze media: het fameuze Pussy Riot-proces in 2012 was een strijd tegen blasfemie, en bij de annexatie van de Krim twee jaar later zagen we Russisch-orthodoxe priesters de wapens van de strijdkrachten zegenen. Ook nu weer valt de belangenverstrengeling op, met patriarch Kirill van Moskou die de invasie verhief tot een “metafysische strijd”, gericht tegen het vermeende morele verval en het nihilisme van het westen.

Vanwaar die woorden, en vanwaar die hechte band tussen het Kremlin en de patriarchale entourage onder de gouden koepels van Zagorsk? En waarom spreekt ook een patriarch over de ‘bevrijding’ van Oekraïne? Minstens een deel van het antwoord ligt in de nadagen van de Koude Oorlog. Laat ons beginnen in 1988. Poetin, met KGB-dienst in Oost-Duitsland, kon van nabij zien hoe de Sovjet-Unie verkruimelde sinds Michail Gorbatsjov in 1985 aan zet was gekomen. Met de vreugde van de NAVO en de Reagan-administratie over de politiek van Perestrojka (hervorming) en glasnost (openheid), namen lang onderdrukte spanningen tussen gemeenschappen in de satellietstaten razendsnel toe. Communistische satellietstaten kozen, doorgaans zonder bloedvergieten, voor de weg richting democratie, en in dat proces verscheen de historische, etnische en religieuze diversiteit in de regio’s weer op het toneel. Dat het niet altijd zonder bloedvergieten liep zouden de Balkanoorlogen ons tonen, waar net zo goed onderdrukte identiteitskwesties tot verscheurende taferelen leidden. Maar ook in Oekraïne gingen de zaken midden de jaren tachtig in versneld tempo. Sinds de kernreactor in Tsjernobyl in april 1986 explodeerde liep de spanning tussen etnische Russen en Oekraïners op, kreeg het Oekraïense nationalisme een groeischeut en net in die periode werd het historisch bewustzijn van Kiev als bakermat voor de oorsprong en identiteit van de oosterse kerken een twistappel tussen gemeenschappen.

In 1988 stond het millenniumfeest van de kerstening van Kiev gepland, de herdenking van Poetins patroon, de heilige prins Vladimir, die zich in 988 bekeerde tot het christendom. De toenmalige Russisch-orthodoxe patriarch Pimen claimde de festiviteiten zonder meer als een viering van de oorsprong van zijn eigen ambt, hechtend aan Moskou als politiek centrum en Kiev als spirituele bakermat van zijn kerk. Alleen, de aanpak was volkomen contextblind. Enerzijds liep de regering in Kiev achter op de nieuwe openheid van Gorbatsjov: de secretaris van het Centraal Comité van de Oekraïense Communistische Partij, Vladimir Scherbetski, uiterst Russisch-gezind, negeerde het broeiende verzet tegen al wat uit Moskou kwam. Dit verzuurde de verhouding tussen de ondergrondse kerken onderling, maar zeker tegenover het patriarchaat van Moskou. Ze eisten hun eigenheid op en legden de trauma’s van Wereldoorlog Twee en het Stalinisme openlijk op tafel. Al tijdens de oorlog, maar vooral na 1945 voorzag de Sovjet-Unie dan wel constitutioneel in het bestaansrecht van religie, in de feiten werd dit een constructie waarin enkel het Russisch-orthodoxe patriarchaat werd gedoogd, onder strikt toezicht van het Kremlin. In satellietstaten als Oekraïne voerde Moskou een russificatiepolitiek in, die onder meer politieke en militaire controle inhield, maar ook immigratie van etnische Russen in de ingelijfde gebieden én de gedwongen ‘bekering’ van de clerus van de historische kerken tot de Russische orthodoxie. Met name voor de Oekraïens-Orthodoxe kerk en de Oekraïense Grieks-katholieke kerk (die sinds de late zestiende eeuw met behoud van eigen ritus en rechtstradities Rome als hoofd erkende), was die politiek desastreus en veroorzaakte ze een bitterheid die ook vandaag doorwerkt. De Oekraïens-Orthodoxe kerk werd zonder meer beschouwd als onderdeel van het patriarchaat van Moskou, en in april 1945 werden alle Grieks-katholieke bisschoppen in Oekraïne gearresteerd en naar werkkampen gedeporteerd en een jaar later organiseerde Rusland de sobor, een dwangsynode waarmee zij de Grieks-katholieke kerk ontbond. Het zwaartepunt van de kerken kwam vaak in de diaspora te liggen. Wat vandaag nog in de retoriek van Poetin en Kirill doorspeelt, is een echo uit die periode: het Oekraïense verzet tegen de communistische “bevrijding” en de Russisch-orthodoxe inlijving, werden beschouwd als uitingen van nazisme.

Terug naar de late jaren tachtig: in de aanloop naar de millenniumvieringen eisten de historische kerken tegenover het Kremlin en het patriarchaat zonder meer het herstel van hun situatie van voor 1939. Ze beriepen zich op de akkoorden van Helsinki van 1975 en eisten niet alleen vrijheid van organisatie en rechtserkenning, maar ook teruggave van gebouwen, eigendommen en gronden. Met name in Kiev en Zuidoost Oekraïne waren deze massaal overgenomen (het Russisch-orthodoxe seminarie bijvoorbeeld, lag in het vandaag bedreigde Odessa) en al generaties in Russische handen. Die strijd leidde, zeker na 1990, tot aanhoudende conflicten, rechtszaken, en identitaire debatten met een krachtig anti-Russisch sentiment. Vanuit Moskou bekeken was het verlies groot. Niet alleen politiek, ook religieus, historisch en ideologisch. Toen de Oecumenische patriarch van Constantinopel (het “Tweede Rome”) in 2018 de Oekraïens-Orthodoxe kerk in Kiev erkende als eigenstandig, autocefaal patriarchaat was dit voor Kirill een zoveelste kaakslag.

In de vertroebelende relaties met het de machtsblokken van de Koude Oorlog speelde religie vaker dan gedacht een rol. Doorheen de jaren vijftig veroordeelde het Vaticaan (het “Eerste Rome”) vaak in één beweging zowel de communistische doctrine, haar aanhangers en de Russisch-orthodoxe patriarch Alexis, tot er in de jaren zestig een dooi kwam. Paus Johannes XXIII milderde de Vaticaanse Ostpolitik en greep in de herfst van 1962 positief in tijdens de Cubacrisis. De opening van het concilie nu zestig jaar geleden was het tafereel van gespannen diplomatie toen Grieks-katholieke Oekraïners vastzaten achter het IJzeren Gordijn maar er wél twee Russisch-Orthodoxe vertegenwoordigers in Rome opdaagden. Stalins opvolger Nikita Chroesjtjov liet als dank de leider van de Grieks-katholieke Oekraïners, Josyf Slipyj vrij uit de Goelag. De ma, zou vanaf dat moment onophoudelijk eisen dat Rome in Kiev een Grieks-katholiek patriarchaat zou inrichten, tot vrees van Constantinopel, de Oekraïens Orthodoxen én Moskou.

Het optimisme van de jaren zestig deemsterde weer weg in de decennia voor de Muur viel. Vooral de pausverkiezing van Karol Wojtyla in 1978 bezorgde jonge KGB’ers als Vladimir Poetin de schrik om het hart. In Kremlinkringen zag men nog ‘liever Aleksandr Solzjenitsyn als secretaris-generaal van de Verenigde Naties dan een Poolse paus.’ Die inschatting was niet onterecht. Toen Johannes Paulus II in april 1979 het Europees Parlement toesprak, maande hij aan geen genoegen te nemen met het ‘kleine Europa’ van de Koude Oorlog, maar het Europa van Karel de Grote te herstellen. Een jaar later riep hij naast Benedictus van Nursia, ook de Slavische Cyrillus en Methodius uit tot patroonheiligen van Europa en zijn impact op Polen is alom gekend.

Wojtyla bracht vanaf dag één spanning in de gespreksronden tussen de orthodoxe kerken in Odessa. In 1979 al moedigde hij de Grieks-katholieke Oekraïeners in een open brief aan om het millenniumfeest van de kerstening van Kiev in 1988 uitgebreid voor te bereiden en te vieren. Tot ergernis van het Kremlin volgde de paus de these van nationalistische Oekraïners, hij sprak nergens van Rusland maar steeds van ‘Kiev-Rus’, om duidelijk te maken dat Oekraïne de voortzetting was van dit historische vorstendom en de spirituele bakermat. Dit alles tot horror van de Russisch-orthodoxe kerk, die – getuige de Vasili Mitrokhinarchieven – al die tijd onder het oog stond van de KGB.

Opnieuw naar de late jaren tachtig: Onder Gorbatsjov werkte het Kremlin zachtjesaan naar een erkenning van ‘de rol van de religies’ toe. Zeer tegen de zin van het patriarchaat van Moskou. Dat bleek uit het Vredesforum dat in februari 1987 doorging over ‘een wereld zonder kernwapens’, met in de marge, onder persoonlijk toezicht van Gorbatsjov, zo’n tweehonderd vertegenwoordigers van diverse religieuze tradities. Diplomaten als Joeri Karlov verzochten namens Gorbatsjov overleg omtrent een andere religiepolitiek in het Kremlin, en stonden voorzichtig open voor een afnemende rol van het patriarchaat in de satellietstaten.

De krachten in het Kremlin die de teloorgang van de USSR vreesden zagen dit met lede ogen aan. Én ze handelden: In de herfst van het millenniumjaar 1988 werden snel honderden Oekraïense plattelandskerken omzetten in ‘Russisch-orthodoxe kapellen’. Gorbatsjovs grondwetshervormingen, die in 1990 het einde van de centraal bestuurde Sovjetstaat inluidden, losten de conflicten niet op. Het rechtsherstel van de Oekraïens-Orthodoxen en Grieks-katholieken werd een zaak van paus en patriarchen, en na het uiteenvallen de Sovjetunie bleef de patriarch van Moskou mikken op behoud van zijn invloed en op het afweren van de westerse invloeden. Aanvankelijk scheen dat te lukken, uitgaande van de belofte van de Bush-administratie en Amerikaanse buitenlandminister James Baker, in 1990, dat de NAVO “not one inch eastward” zou opschuiven. Wat niet gebeurde.

Met de democratisering in de voormalige republieken en vooral sinds de uitbreiding in de vroege 21ste eeuw, is Rusland na het Jeltsintijdperk, een omgekeerde beweging begonnen. Kirill, destijds nog metropoliet, die allang twijfels koesterde over de democratisering van Rusland en het verlies van de slavische ‘ziel’ aan het westen, vond gelijkgezinden onder de voormalige ministers. Één van hen, Vladimir Poetin, wist dit toen al en liet weinig kansen schieten om de banden tussen Kremlin en patriarchaat opnieuw te smeden. Vanaf het moment dat Kirill in 2009 de patriarchale zetel innam werd de patriarch met égards en niet zelden dure geschenken omarmd. Poetin is geen communist meer, hij combineert centralistische en uniforme politiestaat nu openlijk met religieuze symboliek, en heeft het patriarchaat ingelijfd om de ideologische onderlaag van zijn beleid te verzorgen. Het gevolg laat zich vandaag zien. Unisoon richtten de president en de patriarch hun pijlen op de NAVO en het westen als de ware schuldigen. Kirill en Poetin vinden elkaar in een nostalgisch amalgaam waarin eeuwenoude tradities en het nostalgisch verlangen naar de Russkii Mir, een Russische wereldorde, verstrengeld is met een geopolitiek streven. De setting is die van de 21ste eeuw, de retoriek van inlijving, bevrijding van het nazisme en herstel van de macht van het Derde Rome langs politieke weg blijken, voor wie de geschiedenis bekijkt, verrassend weinig nieuw. De bloedrode draad is dat de diversiteit aan tradities van Oekraïne opnieuw met de voeten worden getreden. Wie gebieden inlijft als bevrijder, zou zich minstens moeten afvragen waarom de vluchtelingenstromen niet de andere zijde uitgaan.

Misschien ligt er in de zoektocht naar een einde van dit conflict, meer dan het westen soms denkt, hoop in de oproepen van de kerken aan Kirill om zijn verbintenis met Poetins oorlog los te laten. Niet alleen de in Genève zetelende Wereldraad van Kerken, ook het Eerste en Tweede Rome riepen de patriarch op om de invasie te veroordelen, en de interne tegenkanting in het Moskouse patriarchaat groeit. Op 9 maart sprak Johannes van Dubna, de West-Europese vertegenwoordiger van het Russische patriarchaat in Parijs, zijn patriarch openlijk tegen, iets wat de Russisch-Orthodoxe metropoliet van Kiev hem al voordeed en wat meteen gevolgd werd door de Russisch-Orthodoxe vertegenwoordiging in Amsterdam – met dreigementen tot gevolg. Zowel van binnenuit als vanuit de bredere orthodoxe, protestantse en katholieke wereld klinken oproepen tot Kirill op om zich te distantiëren van politieke agenda en dit “moordzuchtig conflict” te veroordelen. Voorzichtig zijn er gesprekken gaande met andere topfiguren, zoals de Russisch-orthodoxe metropoliet Hilarion Alfeyev, in de hoop dat in Moskou de redelijkheid weer een plaats krijgt. Mocht dat gebeuren, verzwakt het draagvlak van Poetins conflict zienderogen.

Karim Schelkens is religiehistoricus en onderzoeksdecaan aan de Universiteit van Tilburg en gastprofessor aan KU Leuven. Hij publiceerde onder meer in de Ukrainian Quarterly over de relaties tussen religieuze gemeenschappen in oost en west, en de verhouding tussen Moskou en Kiev.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content