Van afgemeten poëzie en sober uitgeschreven details naar breedsprakerigheid. De nieuwe lichting Nederlandse dichters.

In de cyclus ?Autobiografie van een dorpsjongen? uit ?De schipbreukeling?, schrijft Benno Barnard over de weg die zijn lyrische ik heeft afgelegd : ?Pruimde papaver en mosterdgas, propte zijn mond vol / met IJzer en heimwee en dolle adolescentie./ Verhuisde van land in de richting van vroeger, Europa. / Dat ik mijzelf uit het dorp heb verdreven, bedoel ik.? Het lijkt wel een metafoor voor de afstofbeurt die de Nederlandse poëzie de jongste tijd ondergaat : veel dichters sluiten aan bij de traditie van het barokke, breed aanrollende gedicht in de episch-lyrische traditie van Gorters?Mei? of Nijhoffs?Awater? en ?Het uur U?.

De breedsprakerigheid was lange tijd uit den boze in Nederland : Benno Barnard sloot met zijn eerste bundels trouwens aan bij de voortuintjestraditie van het strofische, metrisch strak gecomponeerde, rijmende gedicht. Via een aantal metaforen die concaaf naar een centraal thema toewerkten een reiger als beeld voor de eenzaam wachtende, bijvoorbeeld , werd het gedicht in een soort neo-symbolistisch perspectief geplaatst. De wereld die in de lange gedichten wordt opgebouwd, is eerder convex : de aandacht van de lezer wordt allerlei richtingen uitgestuurd. Het zangerige gedicht ?De schipbreukeling?, in de gelijknamige bundel van Barnard, is daar een schitterend voorbeeld van.

DE NEDERLANDSE NORMEN

Het lyrische ik lijkt in de beginregels op drift en we duikelen meteen een The Waste Land-achtig landschap binnen : ?Het water van een zaterdag droeg mij genadig./ Hoe oud was ik ? Zweefde ik op een houten paard / boven de bedauwde gele en bruine velden / en begreep ik de wereld ? Of viel er een kaart / (die zij sinds 1922 voor mij had bewaard) / uit de beringde handen van Madame Sosostris / en dreven er tien harten naar de afvoer ?? De westerse kleinburgerlijkheid wordt aan het wankelen gebracht door de ontmoeting van de ik-figuur met Garcia, een ?Canarische matroos? die met zijn kennis van de havensteden de dichter op sleeptouw neemt. Antwerpen blijkt plots een smeltkroes van allerlei culturen : joden, hoeren, een meisje in een karaoke-bar. De lezer wordt meegenomen in het reuzenrad van die wereld, waar liefde en dood panoramisch in elkaars verlengde liggen.

De zangerigheid in taal is lange tijd eerder een eigenschap geweest van de Vlaamse poëzie, terwijl de Nederlandse niet onder het calvinistische juk van het sober uitgeschreven detail leek uit te komen. Uiteraard heeft Barnard zich tot het Belgendom bekeerd en lijkt hij op dat vlak een grensganger, maar er zijn nog anderen : Arjen Duinker schreef met ?De uren? een gedicht van ongeveer duizend regels en Pieter Boskma’s bundel ?In de naam? is één lied van liefde, verlies en loutering. Uiteraard is het gevaarlijk om te veralgemenen : de onmiskenbaar poëticaal belangrijke, epische gedichten van Dirk van Bastelaere ( ?Pornschlegel?, 1988), Stefan Hertmans ( ?Het narrenschip?, 1990), Peter Ghyssaert ( ?Sneeuwboekhouding?, 1995) en Peter Verhelst ( ?Angel?, 1990 en ?Verhemelte?, 1996) liggen nog niet zo ver in het geheugen. Maar toch valt het op dat Vlaamse dichters als Herman Leenders, Koen Stassijns, Erik Heyman en binnenkort ook Gwij Mandelinck die in tegenstelling tot de eersten een eerder klassieke thematiek hanteren en daardoor minder vanuit de marge opereren zich eerder confirmeren aan de Nederlandse normen van hun uitgever.

BINNEN- EN BUITENWERELD

In de slotregels van het titelgedicht van ?Wat zij wilde schilderen?, lijkt Judith Herzberg uiteraard geen nieuwe naam, wel een dichteres die doorheen de bundels die ze de voorbije jaren publiceerde, weg evolueerde van rake observaties van de werkelijkheid wel aan te duiden waar nieuwlichters als Duinker en Boskma op uit zijn : ?Verwaarlozen, / laten verwilderen. Omhakken, verscheuren. Verbranden./ Betreuren. Zij schildert / waar zij niet van slapen kan / wat ze zich niet herinnert, / niet in kleur. Wat zij niet zingen / kan niet juichen./ Het onomlijnde blijft onomlijnbaar lokken.?

Herzbergs intrigerende bundel pendelt trouwens tussen de binnenwereld van rake observaties en bedenkingen die rakelings over de werkelijkheid scheren en de buitenwereld van ontregeling, waarin ze met onomlijnde gedachten experimenteert.

Duinker laat in ?Het uur van de droom? dat onomlijnde van de meerstemmigheid toe. Dat is al zo in het gedicht ?Filon en ik?, waarin de dichter met zijn alter ego, in de gedaante van de joods-hellinistische filosoof uit Alexandrië, lijkt te converseren. Lijkt Filon de tegenstellingen te verzoenen, dan is dat slechts schijn, want de tijd is onoverbrugbaar : ?Dromen, daar heb ik zin in, / Dromen en leven tegelijk, verweven, / Met illusies, zonder illusies, / en aldus aanvaarden dat het mogelijke mogelijk is, / Betekenis sprakeloos, wesp wesp, of schim daarvan, / En dat wat om je heen cirkelt, Filon, / Onopgemerkt door jou gezelschap zoekt.// Deur gaat open./ Het is de tijd, / Chrysant in zijn knoopsgat.?

De tijd speelt uiteraard ook een bepalende rol in het lange gedicht ?De uren?, waar de meerstemmigheid van indrukken en belevenissen op en rond een plein in een prismatisch geheel tot eenheid gebracht willen worden. Het gedicht krijgt door de drang tot synthese zelfs een kosmische en mythische dimensie ( ?Ik weet dat ik geen ziel heb./ Toch ervaar ik soms meer dan me lief is.?) Dat is wellicht ook de reden waarom de verzen aanzwellen en via herhalingen en nevenschikkingen over de bladzijden rollen. Duinker bouwt er een eigen logica in op en plaatst beelden bij elkaar die je niet in combinatie zou verwachten. In dat opzicht doet zijn poëzie stilistisch denken aan die van Alvaro de Campos één van de dichterlijke gedaantes van Fernando Pessoa , aan Tomas Tranströmer, Zbigniew Herbert of Carlos Drummond de Andrade.

VIER LIEDEREN

Het simultane van de beschrijving waarmee Duinker de pendelbeweging in zijn vergeestelijkte universum opbouwt ( ?Het plein oversteken, in tegengestelde richting, / Die afstand tot me nemen, brutaal en gulzig, / Als cadeau voor de door mij ontkende ziel, / Een handvol variabelen introduceren?), vormt ook de grondslag van ?In de naam? van Pieter Boskma. De ?Gesproken liedjes? bestaan uit vier cantates waarin lust, verlangen, verlies en loutering elkaar met de weerhaken van de wisseling tussen romantische cliché-taal en verstorende beelden aanvullen en vernietigen. Die ?Gesproken liedjes? worden doorweven met vier ?Liederen?, die de vier cantates gedeeltelijk ondergraven. Dat maakt ze interessanter, want de ?Gesproken liedjes? balanceren soms bewust op de rand van de voorspelbaarheid van de eeuwige capriolen van de liefde.

In ?Lied van de weg terug? rolt de geboortestreek van het lyrische ik echter in brede, wellustig allitererende taal over de bladzijden en wordt ze in de persoonlijke mythologie opgenomen ( ?het is de Friese middag van Gibraltar tot de Lappen, / het is de Friese ochtend van Wales tot Madagascar, / het is de zee, het oercliché van de wijde blik, / het is de ruimte links en rechts, is de hoge / ruimte, is gebogen ruimte, is voorbij / de ruimte want tenslotte niets dan poëzie?). Boskma is op zijn sterkst wanneer hij de tongval van de taal zo aan de couleur locale van de gemeenplaatsen kan laten ontstijgen. Hij doet dat bijna letterlijk in ?Lied van het wit en het zwart?. Daar laat hij schrijver Theodorus zich aan de hilarische drukdoenerij in het Amsterdamse schrijverscafé onttrekken om zich met zijn geliefde in het papieren voorland, waarin alle tegenstellingen worden bijeengebracht ( ?want altijd herbegon / je uitkomstloze optelsom- / wolk van sneeuw en toermalijn / roes en kater, roem en pijn?), te begeven.

DE POEZIETRADITIE ONDERGRAVEN

Al die breedsprakerigheid van enkele dichters verhindert niet dat er jonge auteurs zijn die nog bij afgemeten poëzie zweren en toch accentverschuivingen aanbrengen. Pim Hofstra, die met ?Dienaar? zijn tweede bundel publiceert, is daar een voorbeeld van. De ironie waarmee hij de Nederlandse poëzietraditie bijna onopvallend ondergraaft, ontging Gerrit Komrij niet, want in zijn herwerkte bloemlezing nam hij meteen drie gedichten uit Hofstra’s debuut ?Ianus? op. Ook in ?Dienaar? mengt Hofstra subtiel venijn door de klassieke vormelijke en inhoudelijke elementen, samen met verwijzingen naar de antieke cultuur. Dat levert een grimmig schaakspel van beelden op, waarmee Hofstra de lezer voortdurend mat zet, zoals hij zelf suggereert in Nederland : ?De kaart is doorgestoken, en ook de anekdote.?

Recentelijk lieten enkele Nederlandse dichters van zich spreken. Vanuit hun filosofische opleiding ontregelen zij de mimetische functie van taal in poëzie. Lucas Hüsgen, Henk Van der Waal en Peter van Lier zorgden voor opvallende bundels. Zopas publiceerde Renée van Riessen, die na ?De vrouw en de trommel? (1987) een proefschrift over Levinas schreef, ?Gevleugeld/ ontvleugeld?. Ze probeert in taal allerlei dichotomieën op te heffen, alsof ze het aardse vleugels wil geven ( ?O Phaedrus, wat ben je ontvederd ! / Zo dicht bij het weten te leven / ontzet, zie je, alles ontvalt / en ontvallend wordt het je vreemder.?) In nogal wat gedichten laat ze de dingen boeiend tot het lyrische ik spreken. Ze wil ze aan het zingen krijgen en dat lukt vooral in de gedichten die verwijzen naar beeldende kunstwerken, maar ze neemt jammer genoeg op andere plaatsen haar toevlucht tot de te voor de hand liggende wendingen van de taal.

Paul Demets

Benno Barnard, ?De schipbreukeling?, Atlas, Antwerpen/ Amsterdam, 62 blz.Judith Herzberg, ?Wat zij wilde schilderen?, De Harmonie, Amsterdam, 59 blz.Arjen Duinker, ?Het uur van de droom?, Meulenhoff, Amsterdam, 54 blz.Pieter Boskma, ?In de naam?, Bert Bakker, Amsterdam, 92 blz.Pim Hofstra, ?Dienaar?, de Arbeiderspers, Amsterdam, 45 blz.Renée van Riessen, ?Gevleugeld/ ontvleugeld?, Bert Bakker, Amsterdam, 50 blz.

Arjen Duinker : het onomlijnde van de meerstemmigheid.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content