Alles over Herman de Coninck

Hij was de dichter van de grote droefenis: lijdend aan ongeneeslijke romantic agony en aan 'een diarree van liefdes'. Oud geboren en veel te jong gestorven, zoals van gedoemde dichters verwacht wordt. Knack-journalist Piet Piryns neemt afscheid van zijn vriend Menno Wigman.

In de bijna dertig jaar dat Herman de Coninck en ik samen optrokken, hebben we nauwelijks brieven gewisseld. Dat was ook niet zo vreemd: we spraken elkaar vaak genoeg, en veelal tot diep in de nacht. Vijf jaar lang vormden we een tweespan op de redactie van het weekblad Humo: samen maakten we honderden interviews, van Eddy Wally en Bobbejaan Schoepen tot Hugo Claus en Louis Paul Boon. Ons interview met striptekenaar Marc Sleen ondertekenden we als Oktaaf Keunink en Piet Fluwijn - jongens waren we. We woonden bij elkaar om de hoek, we frequenteerden dezelfde kroegen. En in 1983 stonden we samen aan de wieg van het Nieuw Wereldtijdschrift - het blad waarvoor ik in 1997 zijn in memoriam zou schrijven.

De ultieme eenheid is bereikt. De dichter, de mens gaat op in de oneindigheid, en in het onuitspreekbare hervindt hij zichzelf. Met zijn vijftiende gedichtenbundel heeft Claude Van de Berge bezwerend en uitputtend het eigen ik opgeofferd aan de mateloosheid van het "zijnde".