Jasper Philipsen aast op ritwinst in de Tour: ‘Sprinten is: goed uit je doppen kijken’

JASPER PHILIPSEN: ‘Als sprinter heb je niks te zoeken in de bergen.’ © Photonews
Jef Van Baelen
Jef Van Baelen Journalist voor Knack

Voor Jasper Philipsen telt maar één plek. Zaterdag al wil hij scoren in de eerste sprintetappe van de Tour de France, die op 1 juli begint in het Deense Kopenhagen. ‘Tweede worden voelt als verliezen.’

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

De rest van de samenleving denkt amper nog na over corona, maar het peloton beeft voor het virus. Vraag het Jasper Philipsen maar. In de week voor het Belgisch kampioenschap organiseerde zijn fanclub een eetfestijn met Vlaamse kermis in zijn thuisgemeente Ham. Pal op het marktplein, met ambiancemuziek, ribbetjes en koude schotel. Philipsen is er maar kort kunnen langsgaan. ‘Met het oog op de Tour moet ik voorzichtig zijn’, zegt de spurtbom van Alpecin-Fenix beteuterd.

De schrik zit er goed in?

Jasper Philipsen: En terecht. In het wielrennen wordt nog regelmatig getest en we merken dat er opnieuw meer besmettingen voorkomen: in de Ronde van Zwitserland had het halve peloton het zitten. De meesten hadden geen symptomen en toch word je bij een positieve test onverbiddelijk uit koers gehaald. Ik heb een half jaar hard gewerkt om goed te zijn in de Tour. Moeten afhaken zou verschrikkelijk zijn.

Sonny Colbrelli, vorig jaar winnaar van Parijs-Roubaix, kreeg last van hartkloppingen, mogelijk omdat hij te snel weer was beginnen te koersen na een coronabesmetting. Er wordt gevreesd voor zijn carrière.

Philipsen: Het is een reden om voorzichtig te zijn, maar dat was ik al voor Colbrelli problemen kreeg. Je merkt dat de wielerteams in hun maag zitten met wat hem is overkomen. Liever wat langer rusten dan een risico op onherstelbare schade te lopen. Voor mij is corona vooral een bron van onzekerheid. Ik ben twee keer besmet geweest en heb er nooit veel last van gehad. Toch is er bij elk neusstaafje weer die vrees: het zal toch niet?

U bent nog maar 24 en rijdt al uw derde Ronde van Frankrijk. Wanneer is de Tour voor u geslaagd?

Philipsen: Als ik eindelijk één etappe win. Hopelijk lukt dat snel, dan is de druk er wat af.

Vorig jaar eindigde u drie keer tweede.

Philipsen: Ik droom er al mijn hele leven van om een rit te winnen in de Tour. Vorig jaar was ik er dichtbij. Uit de gemiste kansen van toen wil ik de energie halen om deze keer wél te scoren. Na de vorige Tour heb ik veel bemoedigende woorden gehoord: ‘Je bent nog zo jong, al die ereplaatsen zijn toch super?’ Maar zo kan ik het niet bekijken. Voor een sprinter is het alles of niks. Tweede worden betekent dat je meespeelt met de groten, maar het voelt toch vooral als verliezen.

De Tour begint vrijdag met een proloog door Kopenhagen. De eerste sprintkans komt zaterdag, in de etappe van Roskilde naar Nyborg.

Philipsen: Dat is de eerste belangrijke afspraak, ja. We rijden over een brug van tientallen meters hoog, las ik in het roadbook (de 65 meter hoge Grote Beltbrug verbindt Denemarken met het Europese vasteland, nvdr). Een brug betekent veel water rondom. Water rondom betekent meestal wind en dus ook waaiers. Het zou mij niet slecht uitkomen. Hectische, nerveuze koersen liggen me wel. Sommige sprinters zullen ertussenuit waaien, andere zullen zo veel kracht verspelen dat ze er niet aan te pas komen in de spurt. En ik profiteer. (lacht) Ziedaar het ideale scenario.

Een sprinter in vorm máákt zijn sprinttrein. Als de ploegmaats voelen dat de overwinning erin zit, plooien ze zich dubbel.

Op maandag reist de Tourkaravaan van Denemarken naar Calais, in Noord-Frankrijk. En dat op wat een rustdag heet te zijn.

Philipsen: Al die kilometers op de fiets zijn al lastig genoeg, maar dat je daarbuiten amper rust kunt nemen, maakt de Tour zo zwaar. Weet je wat bijvoorbeeld een groot verschil maakt? Of het in juli warm is. Op de fiets kan ik daar goed tegen, maar als je pech hebt, beland je ‘s avonds in een hotel zonder airco. Probeer dan maar eens te slapen.

Maken jullie dat nog mee? Coureurs worden tegenwoordig toch in de watten gelegd?

Philipsen: Ik weet dat ik niet mag klagen en dat het vroeger nog veel erger was, maar het is toch een aandachtspunt. Meestal zitten we in fijne hotels, maar er zijn er ook waar ik niet voor mijn plezier zou terugkeren.

Wie is de beste sprinter ter wereld?

Philipsen: Tricky vraag. Ik ga niet ‘Jasper Philipsen’ antwoorden: daarvoor heb ik zeker nog niet genoeg bewezen. (denkt na) Ik twijfel tussen Fabio Jakobsen van Quick-Step-Alpha Vinyl en Caleb Ewan van Lotto Soudal.

Ewan? Hij is zeker een topper, maar dit seizoen loopt het niet.

Philipsen: Dat is waar, maar hij is een sprinter. Ewan koerst niet zo veel, en als je dan een paar keer pech hebt, lijkt het alsof niks meer lukt. Maar het kan snel keren en hij blijft superrap. Jakobsen wint dit jaar overal waar hij start. Hij zal een geweldig moreel hebben en start in de eerste Tourritten als favoriet.

Beslist u op voorhand zaken als ‘daar zet ik aan’ of ‘van die sprinter moet ik het wiel houden’?

Philipsen: Ja, dat noem ik ons ‘ongeveer plan’. Je denkt op voorhand na over hoe de koers zich waarschijnlijk zal ontplooien en vanwaar het gevaar komt, maar je moet niet hopen dat je alles kunt voorzien. Je kunt duizend- en-één scenario’s bedenken en dan loopt het nóg anders. Het plan geeft houvast, maar de omstandigheden zullen je toch dwingen het een en ander aan te passen. Sprinten is: goeie benen hebben, maar ook goed uit je doppen kijken.

Uw vaste sprintloods, Jonas Rickaert, is er niet bij.

Philipsen: Erg jammer natuurlijk. Jonas is een topper in zijn vak en we zullen hem absoluut missen, maar zijn afwezigheid mag geen excuus zijn om niet te winnen. Excuses gelden niet in de Tour. Jonas heeft een vernauwde heupslagader, een probleem dat wielrenners vaker treft. Dat heeft te maken met de zithouding bij het fietsen, die de bloedsomloop kan afklemmen. Hij wordt binnenkort geopereerd, en dat is naar het schijnt niet zonder risico. Ik bid dat Jonas eruit komt zonder complicaties.

In de formule 1 zeggen ze weleens dat de beste auto wint, niet de beste racer. Gaat hetzelfde op voor spurters en hun sprinttreinen? Mark Cavendish kwam er jarenlang niet aan te pas. Hij keerde terug bij Quick-Step-Alpha Vinyl en wint weer de ene koers na de andere.

Philipsen: Er bestaan meerdere manieren om een sprint te winnen. In principe kun je zelfs zonder lead-out (voorbereidend werk van teamgenoten om je in een goeie positie voor de sprint te brengen, nvdr). Je surft mee in de punt van het peloton, wacht het juiste moment af en klaar! (lacht) Het kan werken, op voorwaarde dat je ijzersterk bent én veel geluk hebt. Een sprinttrein zorgt ervoor dat de laatste kilometers perfect lopen zoals hun sprinter dat wil. Dat vergroot je kansen gevoelig. Een mindere sprinter stijgt boven zichzelf uit wanneer hij over een heel sterke lead-out beschikt. Of anders gezegd: als de sprinttrein iets minder is, moet de spurter des te sterker zijn om te kunnen winnen.

© BelgaImages

Sprinten is voor een groot stuk een kwestie van geloof. Sommige lead-outs weten diep vanbinnen dat het toch weer niks zal worden. Dat vreet aan de motivatie en je ziet dat direct aan hoe ze presteren. Maar wanneer de ploegmaats voelen dat de overwinning erin zit, dan plooien ze zich dubbel. Bij iedere zege krijgen de benen nieuwe energie. Zo máákt een sprinter in vorm ook een beetje zijn sprinttrein.

Over onze spurttrein mag ik zeker niet klagen. Ze brengen me altijd waar ik zitten wil: meer kun je niet wensen.

Misschien krijgt u een lead-out die het hele peloton u benijdt. Gaat Mathieu van der Poel voor u de sprint voorbereiden?

Philipsen: Hij zou dat geweldig doen, maar Mathieu heeft ongetwijfeld ook persoonlijke ambities. Ik kan daar nu, voor de Tour van start gaat, weinig over zeggen. We moeten daar binnen de ploeg nog eens goed over praten.

Kunt u de groene trui winnen?

Philipsen: Wout van Aert is daar naar het schijnt sterk op gebrand, dus dan weet je al dat het moeilijk wordt. Niet dat ik het bij voorbaat opgeef, maar ik richt me in eerste instantie op ritzeges. Wanneer je wint, pak je sowieso punten voor groen. Wie weet kan het gaandeweg wel een doel worden.

Zal het lukken om de bergen te overleven?

Philipsen: Dat zou toch moeten. Mijn conditie was nooit beter. Ik heb er hard voor gewerkt: mijn twee hoogtestages in de aanloop naar de Tour waren niet van de poes.

Wanneer Dylan Groenewegen bij zijn vorige ploeg, Jumbo-Visma, op hoogtestage ging, mocht hij niet klimmen, uit vrees dat het zijn sprintsnelheid zou afbotten. Terwijl de rest van de ploeg de cols opzocht, maalde Groenewegen rondjes over een atletiekpiste bij het hotel.

Philipsen: Oei, hoe saai. Breng ze bij ons in de ploeg maar niet op ideeën. (lacht) De redenering erachter is niet onlogisch: een klimmer spreekt andere spieren aan dan een sprinter. Eigenlijk zoek je het evenwicht tussen zo fris mogelijk de bergen over raken en toch nog explosief genoeg blijven om het af te maken in de sprints.

Wij sprinters hebben de naam de luxepaardjes van de koers te zijn: ‘Die kerels rijden maar 50 meter op kop, de gelukzakken!’ Maar ik kan je zeggen dat sprinttraining zowat het zwaarste is wat een renner kan meemaken: spurten tot je benen ontploffen, tot brakens toe.

Moet je er een masochist voor zijn?

Philipsen: Nee, wat dat zou betekenen dat ik ervan geniet. Ik besef dat ik het geluk heb om over een lijf te beschikken dat sprinttrainingen aankan. Ik verplicht mezelf om ze te doen, maar het blijft één pot ellende.

Vroeger gaven sprinters op zodra de bergen eraan kwamen. Mario Cipollini maakte er een erezaak van om zijn foto in de krant te krijgen, met een cocktail op een strand, pal op de dag van de zwaarste bergrit.

Philipsen: Haha. Dat soort grappen kunnen wij niet meer uithalen. De Tour is veel te belangrijk.

Ik snap het ergens wel. Als sprinter heb je niks te zoeken in de bergen. Als je daar niet op getraind bent, kost het zo veel krachten om die cols over te raken dat je er nadien toch niet meer aan te pas komt in de spurt. Zo’n bergetappe waar ik op voorhand van weet dat winnen onmogelijk is, is mentaal een uitdaging. Ik probeer een beetje te ontspannen, hoe gek dat ook klinkt. In sommige ritten lukt dat, en gaat het er zelfs gezellig aan toe in ‘de bus’ (achtergebleven deel van het peloton bij bergritten, nvdr). Erger zijn de etappes waarin je je moet reppen om de tijdslimiet te halen. Een hele dag afzien, gewoon om in koers te mogen blijven: gelukkig word ik daar niet van.

Wout Van Aert is naar het schijnt gebrand op de groene trui, dus dat wordt moeilijk.

De beloning ligt op de Champs-Élysées. Is winnen in Parijs het allermooiste?

Philipsen: Dat zou een droom zijn. Wie daar wint, is koning van de sprinters. Maar ik hoop dat het iets vroeger in de Tour al prijs is. Dan is de druk eraf en kan het in Parijs alleen maar meevallen.

Wie wint de Tour?

Philipsen: Tadej Pogacar ziet er weer erg sterk uit. Er is één kasseienrit bij, over de wegen van Parijs-Roubaix. Toen het Tourparcours werd voorgesteld, waren er sommigen die daar hoop uit putten: misschien kan Pogacar niet op kasseien rijden? Na de Ronde van Vlaanderen mogen ze die illusie opbergen: Tadej kan álles. Het zou me verbazen als hij niet opnieuw de gele trui wint. We kennen elkaar van toen ik nog bij Team UAE reed en zijn kameraden geworden. We sms’en af en toe, zeker wanneer de ander iets wint. Ik moet hem vaker iets sturen dan andersom. (lacht)

Toen jullie junioren waren, hebt u hem eens geklopt in een rittenkoers in Oostenrijk, hoorde ik bij uw fanclub.

Philipsen: O, was Tadej daar ook? Ik heb daar het eindklassement gewonnen en er waren zelfs nog wat bergjes bij, dus dat is wel een straffe stoot, achteraf bekeken. Ik heb Tadej Pogacar eraf gereden! (lacht) Dat kunnen er sindsdien niet veel meer zeggen.

Jasper Philipsen

– 1998: geboren in Mol

– 2018: profdebuut bij Hagens Berman Axeon

– 2019: wint rit in Tour Down Under

– 2020: wint rit in de Vuelta

– 2021: wint de Scheldeprijs en twee Vueltaritten

– 2022: wint twee ritten in de UAE Tour

Knack tipt de Nacht van de Atletiek

Meerkampster Noor Vidts is de nieuwe ster van de Belgische atletiek, sprintster Rani Rosius gaat het worden. De twee atletes prijken bovenaan op de affiche van de Nacht van de Atletiek op zaterdag 2 juli in stadion De Veen in Heusden-Zolder.

Vidts zit in de laatste rechte lijn naar het WK in Eugene (VS), waar ze getipt wordt om een medaille te pakken. In Heusden-Zolder doet ze mee aan het hoogspringen en de 100 meter horden: technische disciplines die perfect moeten zitten om te scoren in de zevenkamp. Rosius loopt de 100 meter sprint, een prestigestrijd met Cynthia Bolingo, terug uit blessure.

De Nacht van de Atletiek combineert een gemoedelijke sfeer met topsport. In deze editie is de naam wat misleidend: de laatste race begint al om 19.20 uur, want er is uitzonderlijk geen nacht- programma. Voor een spotprijs van 10 euro bent u erbij. Klanten van de sponsorende bank mogen zelfs gratis binnen.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content