Het succes van de Tour: ‘De jeugd heeft het wielrennen stormenderhand ingenomen’

JONAS HEYERICK: ‘In Vlaanderen dankt het wielrennen zijn plotse succes aan één man, en dat is Wout van Aert.’ ©  Gettyimages
Walter Pauli
Walter Pauli Redacteur Knack

Nooit keken er meer mensen naar de Ronde van Frankrijk dan dit jaar, en Netflix werkt aan een tv-serie over de voorbije Tour. Columniste Bieke Purnelle en journalist Jonas Heyerick leggen uit waarom ‘hun’ wielersport ineens zo populair werd. En waarom ze desondanks op hun hoede blijven.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

‘Sorry dat ik te laat ben. Mijn ketting viel van mijn fiets.’ Bieke Purnelle kan lachen om haar kleine ongeluk. Het is illustratief dat uitgerekend de directeur van RoSa, het kenniscentrum voor gender, feminisme en gelijke kansen, gek is van wielrennen en over die sport bijzonder lezenswaardige columns schrijft in De Standaard. Een feministe die schrijft over de Tour de France: tien jaar geleden zouden de vrouwonvriendelijke grappen niet van de lucht geweest zijn. Vandaag is er niets ongewoons meer aan. Dat beaamt ook Jonas Heyerick, de hoofdredacteur van Bahamontes, nu al een paar jaar het mooiste wielermaandblad ter wereld: ‘Als ik op het jaagpad groepjes wielertoeristen kruis, dan zijn vandaag zeker

Vandaag trekken veel jonge renners zich geen ruk meer aan van wat de oude generatie zegt.

Bieke Purnelle

drie op de tien vrouwen. Vroeger zag je amper vrouwen op een racefiets. Als we met Bahamontes fietstochten organiseren, bestaat een groot deel van de deelnemers uit vrouwen.’

Bieke Purnelle: Wielrennen fascineerde mij nochtans al van in mijn jonge jaren. Toen ik twintig was en mij in de zomer elke dag een paar uur opsloot in een verduisterde woonkamer om naar de Tour te kijken, vonden mijn vrienden dat onbegrijpelijk – zowel vrouwen als mannen. Ik was een rariteit omdat ik naar de koers keek. Vroeger was het publiek bij wedstrijden vrij oud. Als ik vandaag naar de Omloop of Parijs-Roubaix ga kijken, is het publiek veel diverser en veel jonger. Dat komt omdat er vandaag op een andere manier aan wielrennen wordt gedaan. De sport is explosiever geworden, minder saai en veel meer begeesterend. Het wordt ook anders gebracht. Ik keek onlangs op YouTube naar een film uit een Tour van de late jaren tachtig. Het viel mij op hoe droog en lijzig de commentaar was. Toen vonden wielerliefhebbers dat goed. Ik kijk vooral naar de Engelstalige commentatoren op Global Cycling Network en Eurosport. Robbie McEwen, Adam Blythe en Orla Chennaoui zijn geestig en gevat. Ze zijn actief op sociale media en spreken zo een jonger publiek aan. Ik vind dat leuk, in tegenstelling tot kijkers van een oudere generatie die sterk gehecht zijn aan tradities.

Die zweren bij commentaar à la José De Cauwer.

Purnelle: Inderdaad. Voor hen mag de commentaar bij wielerwedstrijden een zekere sérieux hebben.

Jonas Heyerick: Nog niet iedereen in het wielermilieu heeft begrepen dat je mee móét zijn met de nieuwe tijd, als je een nieuw publiek wilt aantrekken. Wielrenner Bas Tietema plaatst grappige filmpjes op YouTube, en bereikt zo een veel jonger publiek. Maar ASO (de tourorganisatie, nvdr) verplichtte hem om de beelden offline te halen omdat ze het een inbreuk vonden op hun copyrightregels – ze wilden er dus geld aan verdienen. Dat is vreselijk kortzichtig, want zo’n Tietema zorgt ervoor dat jongeren die anders nooit met wielrennen in contact zouden komen, dat nu wel doen, en door zijn humor nog blijven hangen ook.

Purnelle: Vroeger waren wielrenners sporters die voor de fiets kozen om een bestaan in de boerderij of hard labeur in de fabriek te ontvluchten. Nu hebben heel wat renners hoger onderwijs achter de rug, ze lezen boeken en sommigen schrijven er zelfs. Ze communiceren op Twitter met elkaar en met hun fans. Hun commentaar is vaak grappig en gevat.

Johan Museeuw was een bekende renner, Tom Boonen was al een BV en Wout van Aert zou een posterboy kunnen zijn. Ook Nafi Thiam heeft charisma: je moet de puntentelling van de zevenkamp niet begrijpen om Thiam te kennen. Je hoeft ook niets van wielrennen af te weten om Van Aert te kennen.

Heyerick: In Vlaanderen dankt het wielrennen dat succes inderdaad aan één man, en dat is Wout van Aert. Zelfs mijn zoontje doet alsof hij Van Aert is als hij fietst. Ik moet dan Mathieu van der Poel zijn en hem laten winnen. (lacht) Ze zijn de grote vedetten van vandaag.

Purnelle: Ik herinner mij vroegere renners als de spichtige Tony Rominger, of Alex Zülle met zijn bril. Laten we eerlijk zijn: veel sexappeal of glamour straalde het peloton niet uit, behalve misschien een onconventioneel type als Jacques Anquetil. Vandaag zijn de meeste renners mooie atleten. Ze kleden zich in een verzorgde outfit. Wielrennen is gewoon veel leuker geworden om naar te kijken. En de renners zijn vaak ook interessante mensen. Als ik Fabio Jakobsen hoor spreken, dan denk ik: Wat een slimme man. Hij staat zo verstandig in het leven.

Heyerick: Miguel Indurain won vijf keer de Tour, maar had het charisma van een deurklink. Nu hebben de meeste wielrenners een eigen mening en kunnen ze die vaak ook goed verwoorden. Het peloton is veel mondiger dan vroeger. Renners waren vaak wat onbehouwen, ze stonden een trapje lager dan voetballers. Vandaag ligt dat anders. Als je een voetballer wilt interviewen, krijg je een gesprekje van vijf minuten vol voorgekauwde antwoorden, want voortdurend staat een perschef mee te luisteren. Veel mensen zijn het voetbal een beetje beu: de berichten over superhoge lonen stuiten tegen de borst, net als de verhalen over makelaars die clubleiders omkopen en het feit dat elke vorm van clubliefde verdwenen lijkt. In vergelijking met voetbal ademt wielrennen nog altijd authenticiteit.

De prijzenpot voor de groene trui bedroeg 25.000 euro. Daarvoor heeft Wout van Aert drie weken lang hard moeten rijden. Bij Manchester City verdient Kevin De Bruyne bijna drie keer zo veel per dág.

Heyerick: Die 25.000 euro is inderdaad weinig in vergelijking met het inkomen van topvoetballers, maar nog meer dan voldoende in vergelijking met het loon van een postbode of een fabrieksarbeider. Je hebt zulke bedragen niet nodig om een sport wereldwijd populair te maken. Deze generatie renners straalt authenticiteit uit, dat is veel belangrijker. Alles aan Wout van Aert verraadt met hoe veel goesting hij koerst. Of ploegmaats Tim Wellens en Thomas De Gendt die na de Ronde Van Lombardije, de laatste klassieker van het seizoen, samen bikepacken en met de fiets van Italië naar België terugkeren. Dat is geen show. Het publiek voelt het aan alles: de liefde voor de fiets is écht.

JONAS Heyerick: ‘De renners líjken cleaner. Nu ga ik er mijn hand nog niet voor in het vuur steken. Zelfs niet voor Jumbo-Visma.’
JONAS Heyerick: ‘De renners líjken cleaner. Nu ga ik er mijn hand nog niet voor in het vuur steken. Zelfs niet voor Jumbo-Visma.’ © Gettyimages

De kijkcijfers kregen een boost. In vergelijking met vorig jaar keken er dit jaar gemiddeld honderdduizend Vlamingen méér naar de uitzendingen van de Tour de France. En dat meer dan drie weken op rij.

Heyerick: Deze generatie koerst met open vizier, zeer aanvallend ook, en zo geven ze het wielrennen een uitstraling die veel meer mensen aanspreekt dan alleen de die- hardwielerfan. Dan krijg je toestanden zoals in Denemarken, met honderdduizenden fans voor de Tourstart. We denken in Vlaanderen soms dat alleen wij wielergek zijn, maar ook in Denemarken of in 2014 in Engeland dromden vele duizenden fans lang het parcours samen. Zelfs in Eritrea is Biniam Girmay na zijn winst in Gent-Wevelgem een nationale held. Ik zie dus wel brood in de suggestie dat de Tour de France minstens een keer om de twee jaar een start zou moeten organiseren in een ander land dan in Frankrijk.

In 2024 zal de Tour de France voor het eerst sinds 1975 wellicht niet op de Champs-Élysées aankomen, maar op de Promenade des Anglais in Nice. In Parijs vinden dan de Olympische Spelen plaats. Bestaat de kans niet dat de Tour de aankomst gaat commercialiseren? Er zullen heus wel steden zijn die flink geld willen betalen voor de aankomst van de Tour, net zoals dat nu al gebeurt met de start.

Heyerick: Bij Bahamontes promoten we graag het authentieke wielrennen, maar dat hoeft toch geen vernieuwing uit te sluiten? Waarom zou de Tour elk jaar móéten aankomen op de Promenade des Anglais? Een keer om de twee à drie jaar is voor mij ook goed. Als de eindstreep van de laatste rit dit jaar bovenop de Mont Ventoux zou liggen, zou Jonas Vingegaard zich véél minder op zijn gemak hebben gevoeld dan zondag het geval was tijdens dat vlak ritje naar Parijs.

Het ‘nieuwe wielrennen’ zou wel eens begonnen kunnen zijn met de zege van Mathieu van der Poel in de Amstel Gold Race in 2019, toen hij vanuit een volstrekt kansloze positie de koplopers inhaalde en won. U tweette toen: ‘Heb ik echt gezien wat ik heb gezien?’ Dat vatte het algemene gevoel van opperste verwondering en bewondering perfect samen.

Purnelle: Inderdaad. Renners als Van Aert en Van der Poel hebben lak aan al die oude ongeschreven wetten, ‘vooral niet te veel met krachten woekeren’ en dat soort zogenaamde wijsheden. Goed, wellicht fietsen ze minder tactisch en meer op gevoel. Heerlijk, toch? De jeugd heeft het wielrennen stormenderhand ingenomen. Letterlijk: vroeger moest je 24 jaar oud zijn voor je jezelf kon beginnen te meten met de besten: je moest wachten tot je 22e voor je prof kon worden, en dan betaalde je al snel twee jaar leergeld. Ze mochten tot halfweg de twintig niet eens een grote ronde rijden, of ze moesten het rustiger aan doen. Renners als Tadej Pogacar, Egan Bernal of Remco Evenepoel waren amper twintig, of zelfs nog niet, toen ze al kleur aan de koers gaven. De prefontale cortex is nog tot ons 27e in ontwikkeling. De jonge renners koersen dus met andere mentaliteit dan de oude vedetten. Op hun leeftijd zeg je veel sneller ‘fuck you’, je trekt je de zaken veel minder aan én je komt sneller weg met wat je doet. De brutaliteit van de jeugd heeft het wielrennen aantrekkelijker gemaakt. Nils Eekhoff neemt het in een tussensprint op tegen Van Aert en ontfutselt hem een paar punten: vroeger zou niemand het aangedurfd hebben om in te gaan tegen de impliciete hiërarchie van het peloton.

Bernard Hinault in de jaren 1980 en Lance Armstrong begin deze eeuw schrokken niet terug voor dreigementen en zelfs fysiek geweld tegen renners die niet reden zoals zij dat wilden.

Purnelle: Als Hinault besloot: ‘vandaag wordt er niet ontsnapt’, dan werd er ook niet ontsnapt. De grote vedetten van de voorbije decennia waren heel tiranniek. Vandaag zouden ze niet meer wegkomen met dergelijke pogingen tot intimidatie, en gelukkig maar. Veel jonge renners trekken zich geen ruk meer aan van wat de oude generatie zegt.

De hele Tour de France is anders georganiseerd dan vroeger. Ooit telden wielerploegen tien of zelfs elf renners. Nu nog acht. Dan is het automatisch moeilijker om alles onder controle te houden.

Purnelle: Ongelofelijk, hè. Toen was wielrennen best saai. Vroeger viel mijn vader tijdens elke wielerwedstrijd in slaap. We moesten hem tien kilometer voor de finish wakker maken, als het spannend werd. En dan nog had hij werkelijk niets gemist. De eerste honderd kilometer van een bergrit waren bijna een parade van een gegroepeerd peloton. Vandaag wordt vanaf de eerste kilometers aangevallen, en door de beste renners. Wout van Aert doet het, en Mathieu van der Poel ook.

Heyerick: Een korte Alpenrit van 150 kilometer met vier zware cols erin: dat leidt tot spektakel. Op die manier moet je renners ook niet duwen naar doping, zoals vroeger gebeurde. In 1992 stuurde men het peloton over meer dan 250 kilometer en vijf Alpencols naar Sestrières, waar Claudio Chiappucci won. Tja, dan moet je ook niet blind willen zijn voor het feit dat er toen op ‘superbenzine’ werd gereden.

De ergste dopingtijden lijken achter de rug te liggen.

Heyerick: Het werkwoord is nochtans niet onbelangrijk: de renners líjken cleaner. Pas binnen tien jaar zal ik met zekerheid durven te zeggen dat het écht zuiverder is geworden. Nu ga ik er mijn hand nog niet voor in het vuur steken. Zelfs niet voor Jumbo-Visma.

Dat is de ploeg van gele trui Jonas Vingegaard en Wout van Aert.

Heyerick: Ik ben er wél zeker van dat de tijd van de oude dopingmiddelen als amfetamines of anabole steroïden voorbij is. Maar soms heb ik de indruk dat er gewerkt wordt met nieuwe middelen die nog niet op de dopinglijst staan. Ik vrees dat er een nieuwe ‘grijze zone’ is ontstaan.

Purnelle: Er is één moment geweest dat ik dacht: ‘oh nee’, en dat was tijdens de Pyreneeënrit naar Peyragudes. Toen klommen Mikkel Bjerg en Brandon McNulty van UAE Team Emirates in dienst van hun kopman Pogacar plots alle records aan flarden. Zelfs de beste klimmers konden hen amper volgen. Ook de Nederlandse wielerjournalist Thijs Zonneveld liet weten: ‘Dit is echt bizar.’ Ik kijk met enige argwaan naar ploegen als UAE Team Emirates en Bahrain-Victorious, die financiers uit het Midden-Oosten en in het management veel oud-renners hebben die de dopingtijden nog actief hebben meegemaakt.

U denkt dus dat er iets loos is?

Purnelle: Van een ploeg als Bahrain-Victorious denk ik dat al langer. Een klassieke renner als Sonny Colbrelli werd bij Bahrain-Victorious ineens ook een prima klimmer. Dat voedt mijn wantrouwen. Er is níéts fout met een renner die kampt met een inzinking. Daarom gingen mijn haren rechtop staan toen ik in Vive le Vélo iemand de opmerking hoorde maken: ‘Van Aert heeft toch wel snel moeten lossen.’ Die jongen weegt 78 kilo, wat behoorlijk veel is als het bergop gaat, de kopgroep telde nog maar 15 namen en op de laatste klim moest Van Aert inderdaad lossen. Gelukkig móést hij lossen. Na zijn raid op de Hautacam voelde ik toch weer twijfel. De lelijke geschiedenis van de koers valt niet af te schudden. Het is misschien niet eerlijk tegenover deze generatie dat we hen opzadelen met dat gewicht. Maar het is er nu eenmaal, en het gaat wellicht nooit weg.

Heyerick: Mathieu van der Poel was duidelijk niet in goeden doen tijdens de voorbije Tour. Dat zelfs een absolute topper als hij af en toe niet goed is, lijkt mij juist een teken dat hij zijn sport op een gezonde manier beoefent.

Purnelle: Ik wéét natuurlijk niets. Ik denk dat het er veel zuiverder aan toegaat dan vroeger – ja, nu leg ik de lat héél laag – maar het zou mij heel erg verbazen als het niet de goede kant zou opgaan. Al kan ik mijn argwaan soms niet onderdrukken.

Pikt men van een vrouwelijke columnist dergelijke kritische commentaren?

Purnelle: In het begin kreeg ik weleens denigrerende reacties op sociale media: ‘Wat weet zij nu van koers?’ Maar ik ben gestopt met die te lezen, dus het deert mij niet. De Nederlandse oud-renster en sportjournaliste Marijn de Vries heeft er meer last van. Regelmatig menen mannen vanuit hun luie zetel thuis via sociale media Marijn te moeten uitleggen hoe wielrennen in elkaar zit. Bij Global Cycling Network doet José Been de moeite om rennersnamen correct uit te spreken. Zij doet dat supergoed, maar ook in haar geval zijn er nog altijd mannen die collectief beginnen te joelen als ze dat horen. Het is onuitroeibaar. Maar we lachen erom. (lacht)

Bieke Purnelle

– 1971 geboren

– Studeerde toegepaste taalkunde aan de Provinciale Hogeschool voor Vertalers en Tolken in Gent

– 2000-2008 artistiek manager Rock ‘o Co

– 2012-2016 coördinator Get Basic

– 2016-heden directeur RoSa

Columnist bij De Standaard en Mo*

Jonas Heyerick

– 1977 geboren

– Studeerde communicatie-

beheer en journalistiek aan het Hiepso in Kortrijk

– 2000-2015 journalist en hoofdredacteur bij P-Magazine en Ché

– 2004-2005 sportjournalist VRT

– 2013-heden hoofdredacteur Bahamontes

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content