Commensalen zijn wat wij 'mee-eters' noemen: dieren die mee-eten van het voedsel van andere dieren, maar zonder nadeel te berokkenen. Parasieten zijn schadelijk voor hun gastheren of -vrouwen. Ze verminderen hun levenskwaliteit en eventueel levensduur.
...

Commensalen zijn wat wij 'mee-eters' noemen: dieren die mee-eten van het voedsel van andere dieren, maar zonder nadeel te berokkenen. Parasieten zijn schadelijk voor hun gastheren of -vrouwen. Ze verminderen hun levenskwaliteit en eventueel levensduur. Wereldwijd zijn er zo'n driehonderd soorten erwtenkrabbetjes bekend die, om comfortabel te leven, gebruikmaken van faciliteiten geboden door andere dieren. De bekendste erwtenkrabbetjes, zeker bij ons, leven in mossels of oesters, letterlijk verborgen in de schelpen. Andere nestelen zich in de kieuwen van zakpijpen, de gangetjes van slijkgarnalen of het rectum van zeekomkommers - geen gat lijkt veilig voor erwtenkrabbetjes. Er is in de vakliteratuur een compromis in de maak over het parasiterende karakter van de krabbetjes: het zouden kleptoparasieten zijn, beestjes die wel voedsel stelen van hun broodheren en -dames, maar ook niet meer dan dat. Waar de grens ligt tussen stelende kleptoparasieten en mee-etende commensalen wordt niet toegelicht. Het lijkt een kwestie van balans: mossels en oesters zouden geen echte hinder ondervinden van de krabbetjes als kleptoparasiet, maar ze blijven wel lichter in gewicht als ze zo'n beestje onderdak verlenen. Met een commensaal zou er geen gewichtsverlies zijn. Het is niet uitgesloten dat de gastvrouw of -heer voordeel puurt uit de aanwezigheid van de krabbetjes - dat zou dan een symbiose zijn. Indicaties over wat het voordeel zou kunnen zijn, zijn er nog niet. Een erwtenkrabbetje is niet groter dan een platte erwt. Een schelpdier moet minstens drie centimeter lang zijn om een krabbetje te kunnen huisvesten. Hoe groter de schelpen, hoe hoger de kans dat er een krabbetje in zit. De kans is reëel dat u zo'n beestje aantreft als u mossels of oesters verorbert. Meestal zit er maar één krabbetje in een mosselhuis, behalve als er gepaard moet worden. Mannetjes verlaten dan hun veilige setting om een vrouwtje te zoeken. Hoe ze een paringsbereid vrouwtje vinden, is niet bekend. Maar als ze een mossel of oester met een krabbenvrouwtje vinden, proberen ze erin te dringen. Als de twee schelpen niet ver genoeg openstaan voor een passage, trommelen ze er met hun scharen zo hard op dat de schelpendrager zich wat verder opent. Mannetjes zijn harder en donkerder dan vrouwtjes, met langere scharen. Ze moeten wat verdediging hebben tegen aanvallers in de boze buitenwereld. Als ze niet actief op zoek gaan naar vrouwtjes, planten ze zich niet voort, wat in de natuur zelden een realistische optie is. Vrouwtjes zijn zacht en doorschijnend, want zij komen nooit meer buiten zodra ze een mossel of oester gekoloniseerd hebben. Ze wachten er geduldig op een ondernemend mannetje. Omdat ze weinig energie verbruiken, kunnen ze veel eitjes produceren, die ze met hun vervormde scharen vasthouden op hun lichaam. Als de jonge krabbetjes uit hun ei breken, zijn ze kleiner dan een millimeter. Ze spoelen als larve naar buiten, waar ze in het water zweven tot de tijd aangebroken is om volwassen te worden en een gastvrouw of -heer te zoeken. De stap naar volwassenheid wordt getriggerd door de geur van mossels of oesters in het water. Zo zijn de beestjes, als ze groot worden, meteen waar ze moeten zijn.