Een eeuw geleden was de merel gewoon een bosvogel. Maar hij werd een van de eerste vogelsoorten die zich met groot succes wisten aan te passen aan een nieuw gegeven in hun leefomgeving: grootschalige menselijke bewoning. In de loop van de 20e eeuw ontpopte de merel zich tot een echte cultuurvolger.
...

Een eeuw geleden was de merel gewoon een bosvogel. Maar hij werd een van de eerste vogelsoorten die zich met groot succes wisten aan te passen aan een nieuw gegeven in hun leefomgeving: grootschalige menselijke bewoning. In de loop van de 20e eeuw ontpopte de merel zich tot een echte cultuurvolger. Hij is ook nog altijd bosvogel, maar in het bos valt hij minder op dan in het dorp of in de stad, waar hij een doorgaans graag geziene gast is in tuinen en parken. Merels kunnen in stedelijk gebied in grotere aantallen voorkomen dan op het platteland. Bovendien zijn merels in een stedelijke context gewend geraakt aan de aanwezigheid van mensen, waardoor ze minder schuw zijn. Dat betekent niet dat ze minder op hun hoede zijn, integendeel. Experimenten met merelkuikens uit stad en platteland die met de hand werden grootgebracht in identieke omstandigheden, wezen uit dat stadsmerels voorzichtiger en minder nieuwsgierig zijn dan merels van het platteland. Je moet niet te veel risico's nemen met die grote, tweepotige wezens in je leefomgeving, die bovendien katten in huis halen. Een stadsomgeving lijkt voor een merel gelukkig wel voorspelbaarder dan een bos. Merels ervaren minder rechtstreekse stress in een stad, maar onderzoek van merelchromosomen heeft uitgewezen dat ze er minder gezond zijn dan op het platteland, hoewel ze er langer leven. Dat lijkt contradictorisch, maar heeft te maken met tegengestelde evoluties. Zo hebben merels in een stad meer te eten, onder meer omdat ze er als gevolg van lichtvervuiling langer naar voedsel kunnen zoeken. In een stad vallen ze ook minder gemakkelijk ten prooi aan natuurlijke roofdieren, zoals sperwers en marters. Hun minder goede gezondheid kan te maken hebben met stedelijke factoren waar ook mensen onder lijden, zoals fijnstof en andere polluenten, en geluidsvervuiling. Om boven het eindeloze geraas van het verkeer uit te komen, zijn stadsmerels geleidelijk hoger gaan zingen dan hun soortgenoten op het platteland - anders horen ze elkaar niet meer. Het is niet uitgesloten dat beide types elkaar binnen afzienbare tijd niet meer 'verstaan', in de betekenis van: herkennen als behorend tot dezelfde soort. Dan zouden we twee soorten merels hebben: een stads- en een plattelandssoort. De voorbije vijf jaar hebben onze merels geleden onder het uit Afrika overgewaaide usutuvirus. Merels stierven massaal na infectie, vooral in steden, waar het virus zich gemakkelijker verspreidt - het wordt overgedragen door steekmuggen. Er zijn gelukkig aanwijzingen dat ze recent een vorm van bescherming tegen het virus ontwikkeld hebben - ze doen het weer beter. De belangrijkste bedreiging voor het succes van merels in de tuin is een te droge bodem tijdens het broedseizoen, waardoor ze te weinig wormen en ander voedsel voor de jongen kunnen vergaren. In de herfst zijn er minder merels in tuinen te zien: ze ruien dan en verstoppen zich meer, maar ze zoeken ook plekken met lekkere bessen op, waardoor ze minder op gras rondhoppen. Zelfs in een stad zijn ze niet al hun oorspronkelijke bosgedragingen kwijtgeraakt. Een stadsmerel verplaatst zich evenwel bijna nooit meer dan 3 kilometer van zijn vaste territorium.