De regio rond de Middellandse Zee zit er vol van: kiezelsprinkhanen. Overal waar er zand en steentjes te vinden zijn, zoals op zandpaden en rotshellingen, wemelt het van de beestjes. Het is een vrij kleine soort - ze wordt nooit groter dan 3 centimeter - met een overwegend grijzig uiterlijk gelardeerd met zwarte banden. Ze is goed gecamoufleerd in haar leefgebied.
...

De regio rond de Middellandse Zee zit er vol van: kiezelsprinkhanen. Overal waar er zand en steentjes te vinden zijn, zoals op zandpaden en rotshellingen, wemelt het van de beestjes. Het is een vrij kleine soort - ze wordt nooit groter dan 3 centimeter - met een overwegend grijzig uiterlijk gelardeerd met zwarte banden. Ze is goed gecamoufleerd in haar leefgebied. De achtervleugels zijn wel lichtblauw, maar dat is bijna uitsluitend te zien als het dier vliegt. Bij ons komt een blauwvleugelsprinkhaan voor, die zandige gebieden prefereert, waardoor verwarring tussen beide soorten mogelijk is. Je moet een kenner zijn om ze uit elkaar te kunnen houden. Sprinkhaanliefhebber Robbe Cool is zo'n kenner. Met twee collega's beschrijft hij in het blad Natuur.focus het wedervaren van de kiezelsprinkhaan in ons land. Zoals veel insecten uit het zuiden is hij aan een opmars richting het noorden bezig, ongetwijfeld gedreven door de klimaatopwarming. De soort zet haar eitjes in pakketjes af tussen steentjes. De eitjes moeten voldoende warmte opvangen om tot een diertje uit te kunnen groeien. In het zuiden is dat geen probleem, maar bij ons is dat pas recent mogelijk, met dank aan de warmere lentes en zomers.In 1998 werd de eerste populatie in België gevonden, in een verlaten kalksteengroeve in de Ardennen. In 2009 werden de eerste exemplaren in Vlaanderen ontdekt, in Gent. Ook de Antwerpse haven werd snel gekoloniseerd. Sindsdien verspreidt de kiezelsprinkhaan zich exponentieel in onze regio. Hij komt nu in alle Vlaamse provincies voor. Ook in Duitsland en Nederland zijn er gevestigde populaties. Robbe Cool en zijn collega's focusten op het belang van spoorwegen in de verspreiding van de diertjes. Met hun stenen beddingen en open karakter, waardoor ze veel warmte opvangen, zijn spoorwegen een geschikt surrogaat voor het oorspronkelijke leefgebied van de kiezelsprinkhaan. De diertjes leven van mossen en grassen die er talrijk aanwezig zijn. De steenlagen zijn volledig waterdoorlaatbaar, waardoor spoorwegterreinen de schraalheid etaleren die veel zuidelijke soorten aantrekkelijk vinden. Kiezelsprinkhanen halen de vochtigheid die ze nodig hebben uit dauwdruppeltjes, zodat ze weinig last hebben van droogteperiodes. Ze teren bij ons dus op een biotoop die wij zelden met natuurwaarden associëren. Spoorwegbermen herbergen dikwijls een specifieke fauna en flora, waarin nogal wat exoten of invasieve soorten terechtkomen - reizigers, dus. Sommige soorten liften mee met treinen of komen mee met stenen die gebruikt worden om beddingen te verstevigen. De kiezelsprinkhaan kan vrij goed vliegen, dus hij lijkt niet afhankelijk te zijn van treinen voor zijn verplaatsingen, zoals bij andere soorten wel het geval is. De sprinkhaanonderzoekers konden tot twee jaar geleden 39 afzonderlijke kiezelsprinkhaanpopulaties in ons land onderscheiden; 16 daarvan zouden ontstaan zijn door verplaatsingen per trein. Spoorwegen hebben dus wel degelijk een rol gespeeld in het succes van de soort, mogelijk vooral door het transport van eitjes in steengruis. Sommige onderzoekers pleiten ervoor braakliggende rangeerterreinen als stadsnatuurreservaten te behouden, omdat ze oasen van rust en wat groen kunnen zijn en speciale soorten aantrekken. Maar niet iedereen zal dat als een prioriteit beschouwen.