Zeker als ze in de buurt van een kerkhof broeden, kunnen roeken behoorlijk luguber uit de hoek komen. Hun 'gezang' is niet meer dan een sinister nasaal gekras. Ze zijn integraal blauwzwart en hebben een rare naakte plek onder hun snavel, wat doet denken aan kadavereters. Maar roeken zijn alleseters die geen optie onbenut laten.
...

Zeker als ze in de buurt van een kerkhof broeden, kunnen roeken behoorlijk luguber uit de hoek komen. Hun 'gezang' is niet meer dan een sinister nasaal gekras. Ze zijn integraal blauwzwart en hebben een rare naakte plek onder hun snavel, wat doet denken aan kadavereters. Maar roeken zijn alleseters die geen optie onbenut laten. Wetenschappers hebben in laboratoria proeven met roeken gedaan, waaruit blijkt dat het hyperintelligente vogels zijn. Hun intelligentie is zelfs vergeleken met die van chimpansees! De dieren kunnen de fysische aspecten van een proefopstelling doorgronden om efficiënt aan een beloning te raken. Ze snappen dat ze keitjes in een beker met water kunnen laten vallen om een buiten hun bereik op het wateroppervlak drijvende prooi omhoog te laten komen. Ze zijn in staat om werktuigen te gebruiken en zelfs te maken: ze plooien haakjes aan een ijzeren draadje om iets op te vissen waar ze niet bij kunnen. Dat is bizar, omdat roeken in de natuur nooit werktuigen gebruiken - het is in ieder geval nog nooit gezien. Misschien hebben ze het niet nodig, omdat ze voldoende voedsel vinden, maar beschikken ze over de capaciteit om het te doen mocht het wél nodig zijn. Net als bij andere kraaiachtigen zou de intelligentie van roeken schuilen in een extreem dicht netwerk van hersencellen. De kracht van onze hersenen zit ook meer in de dichtheid van dat netwerk dan in hun grote volume. Roeken zijn kolonievogels. Dat maakt ze kwetsbaar. Ooit waren roeken waarschijnlijk talrijk op het Vlaamse en Nederlandse platteland, maar ze kwamen in het vizier van de landbouw door de - niet zelden vermeende - schadelijke impact die ze op akkergewassen zouden hebben. Ze werden er ook van beticht eieren en jongen van wild te 'stelen', wat evenmin gunstig was voor hun populariteit. Bijgevolg zijn ze decennialang genadeloos vervolgd, onder meer door het kappen van hun nestbomen of het schieten op de nesten zelf, die doorgaans hoog in zwiepende boomtoppen gebouwd worden. Vanaf de jaren 1970 genoten ze een grotere tolerantie. Een ban op het gebruik van pesticiden zal ongetwijfeld ook geholpen hebben. Hun bestand in Vlaanderen steeg tot een maximum van een zesduizendtal broedkoppels rond de eeuwwisseling. De grootste kolonies telden meer dan vijfhonderd nesten. Maar nu gaat het weer bergaf, om redenen die niet altijd duidelijk zijn. Het broedbestand is opnieuw een kwart kleiner geworden. Een mogelijke oorzaak is de groeiende intolerantie van een aantal mensen tegenover natuur in hun leefomgeving. Want de roek heeft de neiging steeds meer in de buurt van dorpskernen te broeden, omdat het platteland minder geschikt wordt, onder meer door een afnemend voedselaanbod. Het aanhoudende gekras en de uitwerpselen zijn een doorn in het oog van nogal wat gepatenteerde ontevredenen-in-het-leven. De soort broedt ook in steeds kleinere kolonies, bij gebrek aan grote concentraties loofbomen in dorpskernen, waardoor ze meer verspreid raakt en meer mensen kan irriteren. Die eisen dan maatregelen om de vogels te 'verwijderen'. Wat niet voor de hand ligt, want roeken zijn grotendeels standvogels die zich zelden over grote afstanden verplaatsen. De vraag is of de intelligentie van de roek zal volstaan om die nieuwe sluipende aanslag op zijn welzijn te counteren.