De grote verdienste van de jonge klimaatstakers is niet alleen het feit dat ze de urgentie van de door de mens veroorzaakte klimaatopwarming op de politieke agenda hebben gezet, maar ook dat ze de rest van ons duidelijk maken dat we het probleem niet gaan oplossen zonder ervoor te strijden.

Het klimaatvraagstuk is in essentie een vraagstuk van bezit, macht en herverdeling.

Ondanks de overweldigende wetenschappelijke en maatschappelijke consensus over de klimaatverandering blijven krachtdadige beleidsmaatregelen uit. Dit heeft niet zozeer te maken met een gebrek aan kennis binnen de politiek maar eerder met de macht van de bedrijfslobby, de vele draaideuren tussen de politieke en economische wereld en - last but not least - het feit dat de huidige effecten van de klimaatopwarming net die gebieden treffen die het minst in de pap te brokken hebben: het Globale Zuiden.

Binnen de vakgroep Conflict- en Ontwikkelingsstudies aan de UGent komen wij door onze onderzoeks- en onderwijsactiviteiten dagelijks in aanraking met de nu al desastreuze gevolgen van de wereldwijde klimaatopwarming, de vervuiling, de dalende biodiversiteit en de eindigheid van grondstoffen in het Zuiden. De redenen hiervoor zijn divers: de geografische ligging, de zwakkere geopolitieke en economische positie, het ontbreken van collectieve vangnetten en infrastructuur en de toenemende oorlogen en conflicten om grondstoffen, vaak aangewakkerd door Westerse belangen - denk bijvoorbeeld aan de Amerikaanse oliebelangen en de invasie in Irak in 2003. Oorlogen en gewapende conflicten zijn niet alleen het gevolg van ecologische problemen, zoals waterschaarste en desertificatie (verwoestijning, nvdr.), ze dragen op hun beurt bij tot vervuiling, uitstoot en de afbraak van de menselijke leefomgeving. Op die manier worden landen in het Zuiden het meest blootgesteld aan toenemende voedsel- en watertekorten, extreme weersomstandigheden, gezondheidsrisco's, geweld en ecologische migratie.

De structurele onderontwikkeling van deze landen is dus niet alleen geworteld in een geschiedenis van kolonialisme, racisme en imperialisme, maar ook in hedendaagse mondiale productieketens, militaire interventies en economische machtsverhoudingen. De 'diensteneconomie' en de kapitaalintensieve spitstechnologie die de economische groei in het Globale Noorden aanvoeren, hangen intrinsiek samen met de 'ouderwetse' vervuilende mijnbouw en de 'klassieke' industrieën gebaseerd op lage lonen, lange werkdagen, slechte arbeidsomstandigheden en gewapend conflict.

De wereldeconomie teert vandaag op goedkope grondstoffen die vaak aan veel te lage belastingen worden onttrokken van onderontwikkelde landen. Het teert op goedkope en onbeschermde arbeid om de productie van al maar meer en al maar goedkopere consumptiegoederen mogelijk te maken, vaak met alle gevolgen van dien (denk maar aan het Rana Plaza-drama in Bangladesh). Het teert op de dubbele arbeid van vrouwen die nog steeds het grootste deel van de reproductieve arbeid verrichtten - de zorg voor kinderen, zieken, ouderen, het (over)leven van hun gezin en hun gemeenschappen. Deze zorgarbeid is on(der)betaald werk waar onze wereldeconomie dankbaar gebruik van maakt, terwijl het de gevolgen externaliseert, net zoals het dat doet met natuurlijke rijkdommen en milieuschade.

Oplossingen voor het klimaatvraagstuk worden bijgevolg niet in een (geo)politiek vacuüm geformuleerd, maar in een bestaande context van mondiale machtsverhoudingen. De scholieren en studenten benadrukken dit ook steevast met hun eis voor 'climate justice' en hun slogan 'system change, not climate change!'. Huidige innovatieve beleidsmaatregelen voor het klimaatprobleem in het rijke Noorden dreigen de ecologische lasten nog verder te verschuiven naar het Globale Zuiden. Zo heeft de 'revolutie' in elektrische wagens een directe impact op de ontginning van kobalt in Congo en lithium in landen zoals Bolivia en Chili. Deze grondstoffen worden in vaak mensonwaardige en extreem vervuilende omstandigheden ontgonnen door multinationale bedrijven die de winsten opstrijken en de ecologische en sociale kosten afwentelen op de lokale bevolking.

Sociale rechtvaardigheid is niet extern aan de ecologische beweging, maar maakt er onlosmakelijk deel van uit. Het klimaatvraagstuk is in essentie een vraagstuk van bezit, macht en herverdeling: wie beheerst het productieproces en wie betaalt uiteindelijk de kost van vervuiling en uitstoot? En hier situeert zich de kern van het probleem. Onze huidige kennis en onze sociaal-rechtvaardige oplossingen voor het klimaatprobleem botsen op de belangen van grote economische spelers en de limieten van een wereldeconomie die geënt is op eindeloze groei, destructieve competitie en winstmaximalisatie. Dit betekent - of we dat we nu leuk vinden of niet - dat een duurzame en sociale transitie onlosmakelijk verbonden is met onze bereidheid hiervoor te strijden. Grote verwezenlijkingen in het verleden zoals de afschaffing van de slavernij, het einde van het kolonialisme, het recht op menswaardig werk, het recht op pensioen, etc. zijn er niet gekomen omdat we de machtigen der aarde overtuigden van hun ongelijk, maar door sociale strijd.

Sociale rechtvaardigheid is niet extern aan de ecologische beweging, maar maakt er onlosmakelijk deel van uit.

De studenten en scholieren tonen ons hierin de weg vooruit. Maar ook in het Globale Zuiden strijden mensen al jaren voor een meer duurzame en sociaal-rechtvaardige toekomst. 'System change, not climate change!', deze slogan verwoordt niet een gigantische uitdaging, maar biedt ook een grote kans om de meest uiteenlopende sociale bewegingen uit het Zuiden en het Noorden met elkaar te verbinden: van (landloze) boerenbewegingen, sociale bewegingen van inheemse volkeren, arbeiders en vakbonden, tot de gele hesjes, de dekoloniseringsbeweging en de Internationale Vrouwenstaking. Het is hoopvol dat steeds meer protagonisten van deze bewegingen inzien dat ze één ding gemeenschappelijk hebben: het verzet tegen een systeem dat roofbouw pleegt op de planeet en het merendeel van haar inwoners, ten voordele van de 1%. Of zoals Greta Thunberg het verwoordde op 8 maart, Internationale Vrouwendag: 'The more I learn about the climate crisis the more I realise how crucial feminism is.'

Onze toekomst heeft dus alle belang bij de solidariteit tussen al deze bewegingen, tussen het Noorden en het Zuiden: alleen door een gezamenlijke strijd kunnen we een wereldwijde systeemverandering realiseren. Binnen het steeds urgenter debat over het klimaat roepen wij op om te luisteren naar iedereen die het voortouw neemt in die strijd. Naar de belangrijke boodschap van onze eigen scholieren en studenten, maar ook naar de vele vrouwen en jongeren, inheemse volkeren en (landloze) boerenbewegingen in het Globale Zuiden die zich al jaren dagelijks inzetten voor een betere toekomst voor iedereen. Zij zijn mee de voortrekkers van sociale en ecologische rechtvaardigheid.

Koen Bogaert, Brecht De Smet en Julie Carlier werken aan de vakgroep Conflict & Ontwikkelingsstudies (UGent). De vakgroep staakt mee met de scholieren en studenten op 15 maart.