Er zijn mensen die ochtendlijke vogelgeluiden als hinderlijk voor hun nachtrust ervaren. Zij moeten nooit gaan logeren in het Tuulingu Guesthouse, schitterend gelegen aan de noordkust van een grote baai in het Matsalu Nationaal Park, een van de vele natuurparels van het Baltische staatje Estland. Het wat zangerige geluid van duizenden kraanvogels, onrustig omdat de herfsttrek naar het verre zuiden voor de deur staat, is er nooit uit de lucht. De eerste wilde zwanen die uit een nog hoger noorden zijn aangekomen, zingen om contact te maken met soortgenoten in de baai. Ze zullen samen even op krachten komen voor ze verder naar het zuiden vliegen om de koude en donkere noordelijke winter te ontvluchten.
...

Er zijn mensen die ochtendlijke vogelgeluiden als hinderlijk voor hun nachtrust ervaren. Zij moeten nooit gaan logeren in het Tuulingu Guesthouse, schitterend gelegen aan de noordkust van een grote baai in het Matsalu Nationaal Park, een van de vele natuurparels van het Baltische staatje Estland. Het wat zangerige geluid van duizenden kraanvogels, onrustig omdat de herfsttrek naar het verre zuiden voor de deur staat, is er nooit uit de lucht. De eerste wilde zwanen die uit een nog hoger noorden zijn aangekomen, zingen om contact te maken met soortgenoten in de baai. Ze zullen samen even op krachten komen voor ze verder naar het zuiden vliegen om de koude en donkere noordelijke winter te ontvluchten. Vanaf de hoge uitkijktoren bij het gasthuis zie je enorme aantallen watervogels, waaronder veel ganzen en zwanen die hier nog een wild karakter hebben en niet gedegenereerd zijn tot halve parkvogels, zoals bij ons. Vooral het aantal knobbelzwanen valt op. 'Voor de Tweede Wereldoorlog was de soort hier nochtans uitgestorven', vertelt uitbater Ants Ale van het Tuulingu Guesthouse. 'Kapotgeschoten voor onder meer de mode-industrie, die zwanenveren nodig had. Soms werd er een hele zwanennek met kop op een hoed gemonteerd. De vleugels waren nuttig als bezem. Pas in de jaren 1960 begon het herstel van de soort in de regio.' De zwanen profiteerden van de Russische bezetting van het kleine Estland vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog. De Esten zijn niet te spreken over de Russen. Ze voelen zich nog altijd ongemakkelijk bij de dreiging die van hun oostelijke buren uitgaat. Ook Ale barst van de verhalen over hoe zijn ouders en grootouders probeerden aan de Russen te ontsnappen door zich in de enorme rietbedden in de baai te verstoppen. Ze wilden niet gaan werken op de kolchozen, de grote staatsboerderijen, die nu staan te verkommeren als herinnering aan een geschiedenis die niemand meer wil. Ze delen het landschap met ruïnes van kastelen van nog oudere bezetters, en met door erosie afgeronde rotsblokken uit de ijstijden. Maar in één domein waren de Russen voortrekkers: natuurbehoud! De zwanen profiteerden niet alleen van de strengere regels voor openbare wapendracht, maar ook van de eerste beschermingsmaatregelen: Matsalu werd in 1957 officieel een natuurreservaat (en in 2004 een Nationaal Park van bijna 50.000 hectare). De aftandse nestkastjes die her en der in de bossen hangen, dateren uit de tijd van de Russen. Pas in 1991 werd Estland opnieuw onafhankelijk. In 2004 werd het lid van de Europese Unie - je kunt er met de euro betalen. In de hoofdstad Tallinn is het ouderwetse hotel waarin de Russen de schaarse buitenlandse bezoekers ontvingen (en zo goed als opsloten) een populaire toeristische attractie geworden. Het leven op het platteland is voor veel mensen nog altijd een kwestie van onverdroten inzet. De meesten hebben hout nodig voor hun verwarming. Ze oogsten appels en pruimen waar ze van alles van maken voor de winter, en ze houden bijen voor honing. In de bossen zoeken ze naar paddenstoelen. Maar het landschap waarin ze leven ziet er echt natuurlijk uit. Estland is grotendeels pure natuur met her en der wat menselijke invloeden - het omgekeerde van bij ons. Het land is iets groter dan Nederland, maar er wonen slechts anderhalf miljoen mensen. Je ziet er veel vogels die bij ons zo goed als uitgestorven zijn of verbannen naar kleine en intensief beheerde natuurgebieden: geelgorzen, tapuiten, kneus, patrijzen... Houtduiven zijn er vooral bosvogels die pas recent ontdekt hebben dat ook tuinen en stadsparken goede plekken voor de overleving zijn. Je ziet er ook grote vogels, altijd een goed teken voor een gezonde natuur. De ooievaars waren tijdens ons bezoek al naar het zuiden vertrokken, maar je zag wel overal hun nesten. Langs de kust doken regelmatig zeearenden op - de grootste roofvogels van Europa. Ze waren in Estland in de jaren 1960 bijna uitgestorven, maar nu zijn er opnieuw meer dan driehonderd broedkoppels. Overal in het landschap en in de lucht zie je kraanvogels: rijzige vogels met een vleugelspan van meer dan twee meter die in de herfst in grote groepen verzamelen om hun lange reis naar de wintergebieden aan te vangen. We zagen duizenden kraanvogels op de velden en 's avonds in de rietbedden en moerassen waar ze de nacht doorbrengen. De Estse bioloog Ivar Ojaste is een van Europa's grootste kraanvogelexperts. Hij zag de kraanvogelpopulatie in zijn land de voorbije halve eeuw toenemen van driehonderd naar minstens zevenduizend broedkoppels. Hij ringt veel vogels om hun trekverplaatsingen in kaart te brengen. Soms gaan de kraanvogels in het zuiden van Spanje overwinteren, soms trekken ze naar het Afrikaanse Ethiopië. Dezelfde vogel kan het ene jaar in Spanje terechtkomen en het andere in Afrika, hoewel hij in het tweede geval dubbel zoveel kilometers moet afleggen. 'We weten nog altijd niet precies waarom ze soms naar Spanje en soms naar Afrika vliegen', legt Ojaste uit. 'Waarschijnlijk heeft het te maken met de windcondities waarmee ze onderweg geconfronteerd worden. Met een gunstige wind kunnen ze in twee weken non-stop van Wit-Rusland naar Ethiopië vliegen. Ze hebben waarschijnlijk slechts enkele uren tijd om te beslissen waar ze naartoe zullen vliegen.' Soms kan de ene zeldzame soort het onderzoek naar de andere hinderen. Een van de eerste Estse kraanvogels die een satellietzender meekreeg, werd nog in Estland zelf door een zeearend gevangen. De kraanvogelwetenschap kreeg onlangs ook haar eigen #MeToo-sfeertje, toen een Duitse onderzoekster op een congres aankondigde dat bij slecht weer de vrouwelijke kraanvogels op kop van een groep vliegen, en bij goed weer de mannelijke. Er is geen logische verklaring voor dat gedrag. Kraanvogels trekken in familieverband, de jongen blijven in hun eerste winter doorgaans bij hun ouders. Er is de laatste jaren een kraanvogeltoerisme naar het westen van Estland op gang gekomen. Het jaarlijkse Matsalu Natuurfilm Festival wordt speciaal in september georganiseerd om te kunnen profiteren van de aantrekkingskracht van de kraanvogeltrek. Maar het land heeft nog veel meer te bieden. Er zijn de ongerepte bossen, de meren met hun gigantische rietbedden, de veenmoerassen met hun bevers, de wilde kust met haar ijs- en vele andere eenden. Wij bezochten enkele indrukwekkende plekken, zoals een bescheiden vogelkijkplatform bij een piepklein dorp op het schiereiland Puise, vanwaaraf we urenlang een ononderbroken stroom van tienduizenden bosvogeltjes voorbij zagen trekken: vinken (inbegrepen goud- en appelvinken), mezen, drie soorten spechten, lijsters, af en toe zelfs zeldzame notenkrakers. De bossen van Estland leken leeg te lopen. 'De vogels komen in de lente wel terug', grinnikte bioloog Ojaste. 'En de raven blijven ons in de winter gezelschap houden.' Op het schiereiland Pöösaspea zagen we de massale trek van duikers en andere zeevogels. Ojaste vertelde dat er daar in de lente op een echte trekdag een miljoen watervogels kan passeren. Elders zagen we akkers met tientallen korhanen, die een halve eeuw geleden zijn uitgestorven in Vlaanderen. We keken vanaf hoge torens uit over rietbedden waar we in Vlaanderen (en Nederland) slechts van kunnen dromen. Een van de eerste natuurverwezenlijkingen van bioloog Ojaste was de creatie van het Silma-natuurreservaat, waar honderden grote karekieten broeden, en waar roerdompen, zwarte sternen en porseleinhoenen thuis zijn - allemaal soorten om jaloers op te zijn. De bij ons bijna uitgestorven jeneverbes wordt er soms als een pest beschouwd, zo erg kan hij woekeren. In de lente kunnen er tienduizenden libellen gezien worden. In de kustregio groeien liefst 36 soorten orchideeën, waarvan de belangrijkste het soldaatje is - géén referentie aan de Russische bezetting. Het werd helemaal te gek toen we beseften dat er in Estland meer kwartelkoningen broeden dan waterhoenen - in België wordt zwaar geïnvesteerd in de redding van enkele koppels kwartelkoningen in de Maasvallei. Een rondreis door Estland doet je pas goed beseffen hoeveel natuur er in Vlaanderen verloren is gegaan, en hoe moeilijk het zal zijn om dat proces te counteren. Je moet stevig in je schoenen staan om er niet wanhopig van te worden. En dan zijn er nog de écht grote dieren, zoals elanden. Overal zie je verkeersborden die waarschuwen voor overstekende elanden (af en toe zie je er ook een). Er zijn de ongeveer duizend beren, duizend lynxen en zeshonderd wolven, waarvan je er met wat geluk enkele te zien kunt krijgen. Helaas is er ook jachttoerisme op die dieren, van vooral Duitse jagers die elk jaar van elke soort een honderdtal exemplaren mogen afschieten, tenzij de autoriteiten er anders over beslissen. Toch begint ook in Estland de maatschappij zich tegen de jacht te keren. Ecotoerisme brengt meer op dan jachttoerisme, en de twee sectoren dreigen elkaar voor de voeten te lopen, al was het maar omdat de dieren, zolang er op gejaagd wordt, schuwer zullen blijven en dus moeilijker zijn te spotten. De kerende sfeer werd onlangs duidelijk na gedoe rond een foto in een krant van een twintigjarig meisje (dochter van een jager) dat trots pronkte met een wolf die ze zelf had geschoten. Ze werd in de media gebrandmerkt als onverantwoordelijk, omdat er geen enkele reden was om dat dier te schieten, behalve haar persoonlijk plezier. Ook de kwestie of er extra jacht moest komen om de opmars van de Afrikaanse varkenspest te bestrijden, beroerde de gemoederen. Het virus werd in 2014 in Estland voor het eerst in een dood everzwijn aangetroffen, en de eerste varkensboerderij werd in juli 2015 besmet. Finaal werd er beslist dat er tijdelijk meer op everzwijnen geschoten mocht worden. 'We zien nu veel minder everzwijnen dan tien jaar geleden', zegt bioloog Ojaste. 'Misschien is dat een gevolg van de verhoogde jacht, maar mogelijk komt het doordat veel zwijnen stierven aan een besmetting door het virus. Voor de wolven maakt het gelukkig niet zo veel uit, want die eten vooral reeën, en die zijn alomtegenwoordig.' Is er dan helemaal niets negatiefs te melden over de natuur in Estland? 'Wij hebben ook onze problemen', geeft Ojaste toe. 'De kemphanen met hun mooie kragen blijven niet meer in ons land broeden, maar zoeken het steeds noordelijker. De koperwiek, een kleine lijster uit de bossen, doet het niet goed, om redenen die we niet begrijpen. De populatie van de prachtige ijseend met haar lange staart crasht, waarschijnlijk als gevolg van chronische olievervuiling op de Baltische Zee. Maar we beseffen dat we het qua natuurbehoud nog altijd veel beter doen dan elders in Europa.' Bijna een vijfde van het land is nu officieel beschermd. Toch blijft waakzaamheid geboden. Dat zegt reisorganisator Marika Mann van het bureau Estonian Nature Tours, die ongeveer twintig jaar geleden als allereerste het potentieel van ecotoerisme voor haar land ontdekte en promootte. 'Het is niet omdat wij nog veel natuur hebben, dat het niet snel achteruit kan gaan. We hebben gezien hoe snel het landschap elders in Europa verloederde. Als we het natuurpotentieel van Estland willen bewaren, moeten we investeren in het behoud ervan. Ecotoerisme is daarbij nuttig, want het zorgt voor inkomsten, ook voor de lokale bevolking, die via gasthuizen, restaurants en gidsactiviteiten wat kan verdienen aan de mooie natuur in haar leefomgeving.' Mann vervulde een belangrijke rol bij de uitbouw van Matsalu Nationaal Park tot toeristische attractiepool, niet alleen voor vogelliefhebbers, ook voor mensen die gewoon iets moois willen beleven. Ook de Estse autoriteiten beseffen ondertussen dat ze met hun natuur goud in handen hebben. 'In 2005 trokken ze de natuurbehoudactiviteiten naar zich toe', vertelt Mann. 'Daarvoor waren die vooral in handen van regionale autoriteiten, die goed samenwerkten met lokale mensen, zoals boeren, wier land zo beheerd werd dat het ook aantrekkelijk was voor weidevogels. Maar de lokale verankering sputterde nadat het beheer "genationaliseerd" werd. Wij proberen ze nu weer aan te zwengelen, onder meer met Europese subsidies voor een aangepast graaslandbeheer, zodat de voor vogels belangrijke kustweilanden niet overwoekerd worden. We hebben projecten waarmee boeren hooglandrunderen kunnen aankopen om ze op de kustweilanden te laten grazen. Dat is voordelig voor de boeren én de vogels.' De grootste doorn in het oog van Mann en haar medestanders is momenteel de ontbossing, die sinds de onafhankelijkheid in 1991 snel toeneemt. 'We hebben al een betoging georganiseerd voor het ministerie van Leefmilieu in Tallinn, want het begint echt de spuigaten uit te lopen. We willen de druk op de ketel houden, want voor je het weet zit je in een aftakelingsproces dat niet meer te stoppen valt. Ecotoerisme is in dat streven een belangrijke parameter. Want als de autoriteiten beseffen hoeveel geld onze natuur kan opbrengen, zullen ze minder geneigd zijn haar af te laten takelen.'