Er leven geen echte schorpioenen in onze contreien, wel pseudoschorpioenen: een familie piepkleine spinachtigen die van héél ver wat van schorpioenen hebben. De boekenschorpioen is de talrijkste soort. Het is een kosmopoliet die geleerd heeft dat huizen, en specifiek boekenkasten, best een interessant biotoop kunnen betekenen. Zijn natuurlijker leefmilieus zijn vooral licht vochtige plekken onder stenen of achter boomschors.
...

Er leven geen echte schorpioenen in onze contreien, wel pseudoschorpioenen: een familie piepkleine spinachtigen die van héél ver wat van schorpioenen hebben. De boekenschorpioen is de talrijkste soort. Het is een kosmopoliet die geleerd heeft dat huizen, en specifiek boekenkasten, best een interessant biotoop kunnen betekenen. Zijn natuurlijker leefmilieus zijn vooral licht vochtige plekken onder stenen of achter boomschors. In tegenstelling tot echte schorpioenen hebben pseudoschorpioenen geen gifstekelstaart. Wel hebben ze aan de voorkant van hun lijf twee lange scharen die er vervaarlijk uitzien als je ze onder een binoculair bekijkt. Het zijn geen poten, maar uitgegroeide monddelen (pedipalpen in het jargon van spinnenkenners). Net als spinnen hebben pseudoschorpioenen vier paar echte poten. Op de pedipalpen zitten kliertjes die gif produceren, waarmee de diertjes hun prooien (meestal beestjes die nog kleiner zijn dan zijzelf) liquideren. Dat is een naar onze normen wreed proces. Een wetenschapper beschreef het een halve eeuw geleden als een scenario: prooi steken om hem te verlammen, prooi openknippen met de scharen, in de knipwonde zure vloeistof spuiten voor vertering, het verteerde weefsel opslurpen. Het klinkt niet als iets waar je als mens per se bij wil zijn. Op de pedipalpen zitten ook klieren die een spinsel maken. Dat gebruiken de diertjes voor onder meer de constructie van een soort hutje waarin ze zich verschuilen telkens als ze moeten vervellen om te kunnen groeien. Ze hebben ook zo'n huisje nodig voor hun overwintering - ze kunnen tot vier jaar oud worden. Mannetjes mengen hun zaad met hetzelfde spinsel, dat ze aan een vrouwtje aanbieden door het voor haar op de grond te leggen. Als mevrouw onvoldoende interesse betoont, draaien ze haar met hun scharen zo dat ze boven op het spinselpakketje terechtkomt. De vrouwtjes hullen hun eitjes in een broedzak die ze op hun buik maken en voeden ze met stoffen uit hun lijf die in de zak sijpelen. Een grote voortplantingscapaciteit hebben ze niet: één tot drie keer per jaar leggen ze dertig eitjes. Maar door de moederzorg komen er vrij veel van tot ontwikkeling. Wetenschappers menen dat boekenschorpioenen vroeger talrijk waren in bijenkasten. Ze zouden een belangrijke rol gespeeld hebben in het onder controle houden van mijten en andere voor bijen schadelijke parasieten. Er is waargenomen dat boekenschorpioenen actief mijten van bijenlijfjes plukken. Voor ze met boeken geassocieerd werden, was hun naam trouwens 'mijtenwolf'. Helaas slagen de diertjes er niet (meer?) in om mijtenpopulaties in bijenkasten te reguleren. Dat is mogelijk een gevolg van het feit dat de 'luxekasten' en het chemicaliëngebruik van de moderne imkerij minder vriendelijk zijn voor pseudoschorpioenen dan het oorspronkelijke ambachtelijke bijenwerk. Pseudoschorpioenen houden niet van moderniteit, dus doken ze maar in de boeken. Aan hun natuurhistorische associatie met bijen hebben de diertjes een speciaal verspreidingsmechanisme overgehouden: ze kunnen niet vliegen, maar ze kunnen zich vastklampen aan passerende insecten, die ze dan meenemen op avontuur. Vooral zwangere vrouwtjes zouden zich graag verplaatsen. Vroeger zouden ze met bijen in zwermen meegevlogen zijn, nu moeten ze daar toevallige passanten voor inschakelen.