In Scandinavië weten ze het wel zeker, vrouwen zijn beter in het bakken van zuurdesembrood dan mannen. Hoe dat komt is vooralsnog niet duidelijk, maar Amerikaanse wetenschappers hebben wel een idee: mogelijk zijn de handen van vrouwen besmet met melkzuurbacteriën uit hun vagina. Die komen in het deeg terecht en werken daar een betere gisting in de hand. Zuurdesem is deeg dat wordt gemaakt zonder bakkersgist. Het functioneert uitsluitend met dank aan natuurlijk aanwezige fermenteerders, zoals melkzuurbacteriën.
...

In Scandinavië weten ze het wel zeker, vrouwen zijn beter in het bakken van zuurdesembrood dan mannen. Hoe dat komt is vooralsnog niet duidelijk, maar Amerikaanse wetenschappers hebben wel een idee: mogelijk zijn de handen van vrouwen besmet met melkzuurbacteriën uit hun vagina. Die komen in het deeg terecht en werken daar een betere gisting in de hand. Zuurdesem is deeg dat wordt gemaakt zonder bakkersgist. Het functioneert uitsluitend met dank aan natuurlijk aanwezige fermenteerders, zoals melkzuurbacteriën. De Amerikaanse bioloog Robert Dunn is gespecialiseerd in het onderzoek van wat er allemaal aan vreemde wezens op ons lichaam en in ons huis leeft. Hij komt in de zomer naar België voor een experiment. In samenwerking met het Center for Bread Flavour in Sankt-Vith, dat ook een 'zuurdesembibliotheek' herbergt, wil hij nagaan in welke mate de microflora van een bakker (afkomstig van onder meer zijn darmen, oksels en oren) een effect heeft op de smaak van het brood dat hij maakt. Dunn schuwt de spectaculaire verhalen niet. 'Iedereen maakt zich zorgen over de hygiëne van een toiletbril, maar de waarheid is dat je overal waar je gaat zitten een set van je microben achterlaat', vertelde hij in het blad New Scientist. Op stoelen en sofa's zou het wemelen van bacteriën uit darmen en vagina's. Bezoekers bij je thuis laten levende sporen achter. Mensen werden in het artikel omschreven als 'onwaarschijnlijk lekkende dieren'. Onze kleren zouden 'in geen geval de ondoordringbare barrière zijn die we denken dat ze zijn'. Een van Dunns andere projecten is de analyse van douchekoppen. Door de afwisseling van nat en droog en van koud en warm huizen die een specifieke diversiteit met tal van microben, maar ook kleine schaaldiertjes. Die vinden een onderkomen in de dunne, donkere slijmlaag die zich op de binnenkant van een douchekop vormt. Dunn benadrukt steevast dat de meeste van de wezentjes in onze huizen op z'n minst onschadelijk zijn, en misschien zelfs nuttig, al was het maar doordat ze onze afweer stimuleren. Maar hoe je het ook wendt of keert: er is altijd de onderhuidse dreiging van een ziekmaker die met het douchewater in ons lichaam terecht kan komen. Dunn is vooral bekend wegens de doorlichting die hij van huizen maakt. In meer dan duizend Amerikaanse woonsten hebben hij en zijn team alle ongewervelden in kaart gebracht, van mijten en spinnen tot insecten. Aan de hand van DNA-analyses onderzochten ze het voorkomen van micro-organismen. Dat leverde enkele wetenschappelijke publicaties met onthutsende cijfers op. Ze ontdekten in alle huizen en flats die ze analyseerden samen ongeveer evenveel 'operationele taxonomische eenheden' (een maatstaf om uit DNA-analyses het aantal soorten te bepalen) schimmels als er tot dusver wereldwijd beschreven zijn. Dat zegt uiteraard in de eerste plaats dat er nog veel werk aan de winkel is in het onderzoek van natuurlijke schimmels, maar het illustreert hoe rijk onze huizen aan schimmels kunnen zijn. De speurders registreerden duizenden echte soorten, met een gemiddelde van meer dan honderd per huis. Van de massa kamers die ze onderzochten, hadden er slechts vijf geen merkbare diertjes. In Amerika circuleert de stelling dat je nergens meer dan drie meter van een spin verwijderd bent. Zeker in huis is dat hoogstwaarschijnlijk juist, concludeerden Dunn en zijn medewerkers. In bijna elk huis dat ze onderzochten, vonden ze een piepklein sluipwespje dat parasiteert op andere insecten. Het betekent dat huizen hun eigen voedselweb hebben, met diertjes die binnenkomen omdat er andere diertjes zijn die ze als prooi kunnen gebruiken. Alle huizen hadden mieren. De familie met het grootste aantal vertegenwoordigende soorten waren de vliegen. De diversiteit in een huis wordt niet bepaald door orde en netheid, maar door wat er in de buurt leeft. Open ramen en deuren lokken diertjes naar binnen, zeker 's avonds als er licht brandt. In rijkere milieus wordt er binnen een grotere diversiteit aan dieren waargenomen dan in armere buurten, vooral omdat er in betere wijken (met dikwijls mooie tuinen) ook buiten meer diertjes te vinden zijn. Dat wil niet zeggen dat er in onhygiënische huizen minder insecten zitten, wel dat het er soms meer zijn van een kleiner aantal soorten. De echte pestsoorten, zoals kakkerlakken en vlooien, werden in de studies slechts in een minderheid van de onderzochte woonsten aangetroffen. Veel van die soorten bestaan al langer dan de mensheid - kakkerlakken gaan al minstens 100 miljoen jaar zo goed als onveranderd door het leven. Maar ze hebben zich aangepast aan een nieuwe biotoop die de bouwende mens hen verschafte. Oorspronkelijke grotdiertjes werden huisdiertjes. Veel soorten maakten een levensstijl van een bestaan in het zog van de mens. Er is zelfs al een kakkerlaksoort beschreven waarvan geen wilde populaties (meer) bekend zijn. Hoewel het gros van onze medebewoners volstrekt onschadelijk is, beschouwen veel mensen insecten en spinnen als een pest die uitgeroeid moet worden. Er is wereldwijd een miljardenindustrie ontstaan rond het bestrijden van beestjes in huis en tuin. Maar het blijft dweilen met de kraan open. Een mooi voorbeeld is de bedwants. Ooit leefde ze in grotten, maar ze heeft zich perfect aangepast aan een leven met de mens. De bedwants was waarschijnlijk een parasiet van vleermuizen die in grotten kwamen slapen, maar toen onze voorouders (als 'holbewoners') ook in die grotten kwamen slapen, maakten de diertjes de overstap. Ze kunnen niet vliegen, dus zijn ze waarschijnlijk door middel van de bagage van de vroege mensen (kleren en dekens) de wereld ingetrokken. Uit oude geschriften blijkt dat de bedwants als bloedzuiger aanvankelijk nuttig werd gevonden voor de geneeskunde - aderlaten en andere vormen van 'bloed lossen' waren het geijkte middel om bijvoorbeeld koorts te bestrijden. Maar vanaf het begin van de twintigste eeuw verloor het diertje zijn nuttige status. Huizen werden steeds meer verwarmd, wat gunstig was voor de bedwants, zodat zijn populaties floreerden. Bijna honderd jaar geleden vormde de bedwants, die pijnlijke beten kan veroorzaken maar gelukkig geen ziektes overdraagt, zó'n probleem dat er in Zweden een bedrijf werd opgericht dat uitsluitend bedwantsen bestreed. Anticimex heeft ondertussen wereldwijd filialen, ook in ons land. De bedwants promoveerde officieel tot pestsoort. In de tweede helft van de twintigste eeuw leek het probleem onder controle: onder druk van DDT en andere pesticiden kreeg de bedwants het moeilijk. Maar sinds een jaar of twintig komt de soort op volle kracht terug. In grote delen van de wereld, ook bij ons, stijgen haar populaties. Uit een studie in Public Library of Science ONE blijkt onder meer dat het harnas waarin een bedwants zich hult geleidelijk dikker is geworden, zodat pesticiden en andere toxische stoffen er nog moeilijk door kunnen dringen. De diertjes worden immuun tegen bestrijdingsmiddelen. De ontwikkeling van resistentie tegen pesticiden is een klassieker geworden waar de bestrijdingsindustrie niet altijd een pasklaar antwoord op vindt. Het reisgedrag van de moderne mens helpt de verspreiding van de bedwants een handje. Als een diertje in je bagage sukkelt, kun je het over een halve aardbol meezeulen. Niets belet dat het bij je thuis een mooie toekomst vindt. Ook kringloopwinkels en andere aspecten van de recyclage-industrie zijn gunstig voor bedwantsen. Bovendien werkt de biologie van de bedwants zijn succes in de hand. In het vakblad Ecology and Evolution verscheen een intrigerend artikel dat aantoont dat bedwantsen niet te lijden hebben onder inteelt. De gevolgen daarvan zijn enorm. Als je als reiziger toevallig een zwanger vrouwtje in je koffer hebt zitten, kan dat bij je thuis eitjes afzetten. De diertjes die daaruit komen, en die dus allemaal familie van elkaar zijn, kunnen zonder noemenswaardige problemen met elkaar paren, zodat één zwanger vrouwtje een volwaardige populatie kan genereren. Bedwantsen vallen dus zo goed als niet uit te roeien. Zelfs als ze in je huis zitten, of in de hotelkamer waar je verblijft, zullen de meeste mensen niet makkelijk bedwantsen zien. Ze worden nog geen centimeter groot. Overdag schuilen ze in kieren en spleten, vooral in je slaapkamer want ze hebben hun 'prooien' graag binnen bereik - maximaal enkele meters. 's Nachts kruipen ze even in je bed om je een steek te geven, die drie tot twintig minuten kan duren, afhankelijk van hoelang het duurt voor ze hun gesofisticeerde steekapparaat in een klein bloedvat gemanoeuvreerd hebben. De hoeveelheid bloed die ze zuigen, is minimaal. Het bloedverlies heeft geen effect op ons welzijn. De meerderheid van de mensen reageert niet op een bedwantsensteek. Bij een derde van de getroffenen kunnen er (meestal lichte) allergische reacties optreden. Een wetenschapster die zoekt naar biologische pesticiden om bedwantsen te bestrijden, meldde in een van haar publicaties dat ze zich al minstens 180.000 keer had laten steken om de kolonie bedwantsen in haar laboratorium te voeden. Ze had er geen last van. Maar haar echtgenoot verdroeg niet één steekje. Wetenschappers stellen grote hoop op een biologisch pesticide dat onlangs werd beschreven in Pest Management Science. Het steunt op de werking van een schimmel die een bedwants van binnenuit aanvalt en leegvreet. Doordat bedwantsen graag samen in een kiertje kruipen om te slapen, zou de schimmel vrij makkelijk over een populatie verspreid kunnen worden. Maar vooralsnog is het optimisme over de nieuwe ontwikkeling niet erg groot.