Het bestand van de bittervoorn in onze wateren heeft altijd ups en downs gekend. Zijn verspreidingsgebied was oorspronkelijk beperkt tot een aantal rivieren die uitmonden in de Zwarte Zee. Maar vanaf de twaalfde eeuw begon hij aan een expansie in westelijke richting. De mens heeft hem daarbij geholpen - zelf verplaatst hij zich zelden meer dan enkele kilometers. De bittervoorn is een kleine karperachtige die heeft geprofiteerd van de succesvolle kweek van grote karpers voor voeding en visserij.
...

Het bestand van de bittervoorn in onze wateren heeft altijd ups en downs gekend. Zijn verspreidingsgebied was oorspronkelijk beperkt tot een aantal rivieren die uitmonden in de Zwarte Zee. Maar vanaf de twaalfde eeuw begon hij aan een expansie in westelijke richting. De mens heeft hem daarbij geholpen - zelf verplaatst hij zich zelden meer dan enkele kilometers. De bittervoorn is een kleine karperachtige die heeft geprofiteerd van de succesvolle kweek van grote karpers voor voeding en visserij. In de zestiende eeuw, tijdens de kleine ijstijd, verdween de soort weer uit onze wateren. Pas vanaf het einde van de achttiende eeuw begon ze aan een remonte. In de tweede helft van de vorige eeuw dreigde het opnieuw mis te gaan, vooral door alomtegenwoordige watervervuiling. Maar sinds de jaren 1980 gaat het weer beter: milieuvriendelijk rivierbeheer en hogere temperaturen hebben de soort een nieuwe boost gegeven. Wat is de status van de bittervoorn in onze regio? Wetenschappers zijn er nog niet uit. Het diertje geniet integrale bescherming, maar volgens sommigen verdient het dat niet. Het is een ingevoerde uitheemse soort, zeggen zij, die bovendien parasiteert op inheemse zoetwatermossels, die wel in hun voortbestaan bedreigd zijn. De bittervoorn hangt voor zijn voortplanting af van zoetwatermossels, terwijl niet duidelijk is of de mossels voordeel puren uit zijn aanwezigheid. Of ze er nadeel van ondervinden, is overigens evenmin zeker. Wat wel glashelder is: zonder zoetwatermossels geen bittervoorns! In het paarseizoen krijgen bittervoornmannetjes een paarsachtige gloed op hun lichaam. Hun achterste lichaamshelft wordt getekend door een blauwe streep op beide flanken die doodloopt in de staartwortel. Met opzichtig gepronk bakenen ze een territorium rond een uitverkoren zoetwatermossel af. Hoe kleuriger een mannetje, hoe meer zaadcellen het produceert. Of het daarmee een vrouwtje kan lokken, hangt mee af van de kwaliteit van de mossel die het verdedigt. Een vrouwtje kiest voor een totaalpakket: mannetje-met-mossel. Een mannetje moet zijn mossel een tijdje masseren voor ze een geschikte voortplantingsplek is. Ze moet wennen aan zijn aanwezigheid, want het voornvrouwtje moet er enkele keren eventjes een uitstulpbare legboor in mikken om eitjes te lossen, en het is niet de bedoeling dat de mossel op dat delicate moment haar schelpen dichtklapt. In totaal legt een vrouwtje een dertigtal eitjes in een mossel. Ze heeft een honderdtal eitjes in de aanbieding, die ze verdeelt over meerdere mossels. Honderd eitjes per vrouwtje is weinig voor een vis, maar omdat ze beschermd zitten in een mosselschelp komt de soort ermee weg. Vlak na een ei-afzetting loost het mannetje zaad voor de instroomopening van de mossel. Dat wordt mee naar binnen gezogen voor de bevruchting. Het moet snel gaan, want na een halve minuut is het zaad alweer naar buiten gespoeld. De larfjes die uit bevruchte eitjes komen, haken zich vast aan de kieuwen van de mossel om te vermijden dat ze wegspoelen. Na een kleine maand zijn ze groot genoeg en laten ze zich los. Ze beginnen dan in de mossel te wriemelen, wat leidt tot het mosselequivalent van een niesbui. Zo worden de visjes naar buiten gehoest, waar ze aan hun kwetsbare leven zonder mossel kunnen beginnen.