De hermelijn is een geduchte jager, ondanks zijn afmetingen - hij is, na de wezel, ons kleinste roofdier. Hij kan konijnen aan die drie keer zwaarder zijn dan hij. Zijn dieet bestaat voor ongeveer de helft uit andere zoogdieren en voor de rest uit vogels: hermelijntjes profiteren geregeld van het aanbod in nestkasten.

Hermelijnen eisen weinig van hun leefmilieu. Zolang het landschap maar gevarieerd is, met hier en daar wat nattigheid. Ze verschuilen zich graag in de holen van knaagdieren of konijnen die ze verschalkt hebben. Niet zelden gebruiken ze stukjes pels van hun slachtoffers om hun verblijf comfortabel te maken - ook hermelijnen houden het blijkbaar graag gezellig.

Hermelijnen zijn territoriaal. Gemiddeld beslaat hun territorium 20 hectare. De territoria van mannetjes zijn doorgaans groter dan die van vrouwtjes, en die van oudere mannetjes groter dan die van jongere - het verschil kan oplopen tot een factor vijftig. De territoria van succesvolle mannetjes overlappen met die van meerdere vrouwtjes.

Niet zelden bevrucht een passerend mannetje zowel de moeder als haar pasgeboren dochters.

De bijdrage van mannetjes tot de voortplanting beperkt zich tot bevruchten. Ze bevruchten vrouwtjes in hun nesthol kort na de geboorte van een kroost - dan zijn ze gemakkelijk te vinden. Maar de nieuwe lichting in het moederlichaam wordt meteen on hold gezet: de ontwikkeling van de embryo's valt stil, om pas de volgende lente te hernemen. Hermelijnvrouwtjes zijn dus zo goed als hun volledige leven zwanger, maar de échte zwangerschap, vanaf de verdere ontwikkeling van de eitjes in het voorjaar, duurt amper een tiental weken.

Door een vreemde kronkel van de hermelijnenbiologie blijken jonge vrouwtjes al vruchtbaar te zijn na twee weken. Dan liggen ze nog doof en blind in het moederlijke nest. Kindvrouwtjes! Niet zelden bevrucht een passerend mannetje zowel de moeder als enkele van haar pasgeboren dochters. Het is niet uitgesloten dat hij zo eigen dochters bevrucht, hoewel een hermelijnvrouwtje meerdere mannetjes kan 'ontvangen' en ze dus in een nest jongen van vele vaders kan hebben.

Hermelijnen hebben een wezelachtig voorkomen, maar in de winter kunnen ze bijna volledig wit worden, met uitzondering van een karakteristiek zwart puntje op de staart. Ze kunnen harde winters overleven door onder sneeuw- en ijslagen naar knaagdieren te zoeken.

Hermelijnen kunnen in de winter bijna volledig wit worden.

Hoe noordelijker hermelijnen leven, zo hebben wetenschappers vastgesteld, hoe groter de proportie witte dieren in de winter. In Schotland vormen zij dan de meerderheid, in Engeland de minderheid. Onze regio ligt op een kantelpunt tussen wit en bruin. Door de klimaatopwarming valt te verwachten dat wit aan populariteit zal inboeten.

De witte vacht is trouwens niet altijd een zegen geweest voor hermelijnen. Het fameuze hermelijnbont uit konings- en andere luxueuze mantels moet her en der druk op de diertjes gelegd hebben. De overlevering wil dat er voor de kroning van de Britse vorst George VI eind 1936 liefst vijftigduizend witte hermelijnpelzen besteld werden.

Sommige populaties kregen klappen toen een halve eeuw geleden de konijnen zwaar te lijden hadden onder de ziekte myxomatose. Maar nu zou de situatie voor de hermelijn weer rooskleurig zijn. De toegenomen tolerantie van onze maatschappij voor roofdieren speelt hem in de kaart.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.