Charles Darwins laatste boek ging over regenwormen. Zijn leven lang bestudeerde hij ze. Hij meende dat er weinig dieren waren die een grotere rol op de aarde hadden gespeeld. Hoewel zijn omgeving het hem afraadde, uit vrees voor reputatieschade, publiceerde hij in 1881 een standaardwerk over de intrigerende regenworm. Hij wilde vooral het onbegrip van de doorsneemens voor het nut van de natuur doorbreken. Het publiek volgde hem. In het ene jaar dat hij zijn regenwormboek overleefde, zo wil het verhaal, werden daarvan meer exemplaren verkocht dan tijdens zijn hele leven van zijn standaardwerk over de evolutietheorie.

Regenwormen zijn een schoolvoorbeeld van leveranciers van ecosysteemdiensten. Darwin beschreef hun ingenieurscapaciteiten tot in de details. Ze verhogen de vruchtbaarheid van een bodem door er gangetjes in te maken, waardoor er een betere verluchting is en de regen er dieper in doordringt. De wormen graven daarbij niet echt, ze dringen zich met kracht door de grond, hoewel ze geen harde delen hebben. Ze zijn uitmuntende recycleerders van rottende bladeren en ander plantaardig afval, waarvan ze de energie weer vrijzetten in een voor andere organismen bruikbare vorm. Ze verhogen het stikstofgehalte in de bodem, waardoor planten beter kunnen groeien. Doordat ze een effect hebben op de 'plakkerigheid' van grondkorrels, verminderen ze de kans op erosie.

Een gezonde aanwezigheid van regenwormen zou het gebruik van meststoffen sterk kunnen beperken

Recente studies hebben cijfers op hun verwezenlijkingen geplakt. Regenwormen zouden de vochtigheid van een bodem met 40 procent verhogen en het groeipotentieel voor gewassen met 25 procent. Ze zijn tevens wat wetenschappers in Nature 'natuurlijke instrumenten voor het restaureren van uitgeputte bodems' noemden. Een gezonde aanwezigheid van regenwormen zou het gebruik van meststoffen sterk kunnen beperken. Er is berekend dat er per vierkante meter tussen honderd en driehonderd regenwormen in een bodem kunnen zitten - in uitzonderlijke omstandigheden zelfs meer.

Bodems leveren een onderschatte bijdrage aan de biodiversiteit: een kwart van de veelheid aan leven in de wereld zou in de grond zitten. Er zijn ongeveer zevenduizend soorten regenwormen bekend, waarvan er zo'n 25 in ons land voorkomen. De grootste worm bij ons zou 35 centimeter lang kunnen worden.

Regenwormen staan op het menu van tal van andere diersoorten, zoals merels en mollen. Dat kan problemen veroorzaken. Onderzoek uit het vakblad Environmental Science & Technology stelde vast dat regenwormen minuscule plastic deeltjes in hun lichaam opslaan, die ze opnemen met bladafval. Hun groei en overlevingskansen worden beperkt door de plastic besmetting. Ze kunnen de korreltjes doorgeven aan soorten waarvoor zijzelf het menu vormen.

Daarenboven zouden ze giftige stoffen als lood en kwik uit bodems kunnen halen en in hun lichaam stockeren. De concentraties daarvan zouden zo hoog kunnen oplopen dat ze schadelijk worden voor predatoren. Veel mensen maken zich zorgen om het welzijn van onze merels, nu ze getroffen worden door een virus. Maar de kans bestaat dat ook onze eigen vervuilers (uit verwarming en verkeer) via een wormentussenstap in de bodem in het merellichaam terechtkomen. Het zijn lang niet altijd ándere soorten die moeilijkheden veroorzaken, integendeel.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.