De jeneverbes is een van de weinige inheemse naaldbomen in Vlaanderen en Nederland. Vroeger was hij vooral in de provincies Antwerpen en Limburg zo algemeen dat hij als een onkruid beschouwd werd. Hoewel de bes een basisingrediënt is voor de productie van jenever, associeerden mensen de boom met kuisheid. Bij priesterwijdingen werden kerken met jeneverbestakken versierd.
...

De jeneverbes is een van de weinige inheemse naaldbomen in Vlaanderen en Nederland. Vroeger was hij vooral in de provincies Antwerpen en Limburg zo algemeen dat hij als een onkruid beschouwd werd. Hoewel de bes een basisingrediënt is voor de productie van jenever, associeerden mensen de boom met kuisheid. Bij priesterwijdingen werden kerken met jeneverbestakken versierd. In Limburg zijn er nog enkele plekken waar de jeneverbes vrij talrijk is, maar de soort verdwijnt uit ons landschap. Om het goed te doen, heeft ze opstoten van koude nodig, en die worden schaarser in ons klimaat. In noordelijke regio's doet de jeneverbes het beter. Voor geïnteresseerden is er een plek waar je de boom gemakkelijk kunt zien: het pleintje voor het mooie jenevermuseum in hartje Hasselt. Met wat geluk kun je er ook een zeldzaam diertje in spotten dat graag op de jeneverbes leeft: het heidelieveheersbeestje. Het bolronde beestje wordt maximaal enkele millimeters groot, maar het loont de moeite ernaar te zoeken, want met zijn glanzend zwarte kleur en vage rode stippen is het prachtig om naar te kijken. Net als het gros van onze lieveheersbeestjes krijgt het diertje klappen. Veel inheemse soorten worden geviseerd door een invasieve exoot: het Aziatisch lieveheersbeestje dat als bladluizenbestrijder in serres werd ingevoerd, maar ontsnapte en zo goed als ongehinderd Vlaanderen verovert. Het is een grote soort, en als er onvoldoende bladluizen voorhanden zijn, kan ze zich tegen andere lieveheersbeestjes keren. Kleine soorten als het heidelieveheersbeestje zijn dan dankbare slachtoffers. Het heidelieveheersbeestje is daarenboven een diertje van heide- en andere zandige terreinen die helaas massaal moeten wijken voor wat vooruitgang heet. Het komt ook op struikheide en bosbes voor, hoewel het vooral op jeneverbes talrijk kan zijn. Toch staan er op de waarnemingensite van Natuurpunt veel observaties uit een bewoonde leefomgeving. Volgens dé lieveheersbeestjesexpert van Vlaanderen, bioloog Tim Adriaens van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO), is de naam van het diertje misleidend: het is ook op naaldbomen, maar eveneens fruitbomen en zelfs klimop in tuinen te vinden. Dat verhoogt zijn overlevingskansen. Een jeneverbes in een stadscontext lijkt op die manier wel het ideaal voor het diertje. In het blad New Scientist verscheen een analyse van hoe lieveheersbeestjes hun fragiele vleugels opvouwen onder hun kleurige dekschilden. Onderzoekers maakten met doorschijnende nagellak doorzichtige schilden, waardoor ze het opplooien konden filmen. Het gaat om een ingewikkeld, origamiachtig gebeuren dat steunt op de aanwezigheid van krachtige aders langs de rand van de vleugels. Die worden volgens een bepaald patroon langs knikken geplooid, zonder dat daarvoor gewrichten of andere structuren nodig zijn. Als de buitenschilden opengeslagen worden, springen de vleugels vanzelf in een vliegklare positie. Het moet lieveheersbeestjes in staat stellen snel te ontsnappen als ze belaagd worden. Als de belager zelf ook over zo'n systeem beschikt, helpt het je natuurlijk niet veel vooruit.