Onze zoogdieren houden hun lichaamstemperatuur min of meer constant, insecten niet. Dat heeft gevolgen voor hoe ze zich in de winter gedragen: zoogdieren blijven actief, maar veel insecten gaan in winterslaap om hun overlevingskansen niet te zwaar te hypothekeren.
...

Onze zoogdieren houden hun lichaamstemperatuur min of meer constant, insecten niet. Dat heeft gevolgen voor hoe ze zich in de winter gedragen: zoogdieren blijven actief, maar veel insecten gaan in winterslaap om hun overlevingskansen niet te zwaar te hypothekeren. Ook op die regel zijn er uitzonderingen. Omdat zoogdieren mest blijven produceren, zijn er mestverwerkende insecten die 's winters wakker blijven. Bij ons is het mooiste voorbeeld daarvan de driehoornmestkever of drietand, een pikzwarte ronde kever van 1 à 2 centimeter groot, waarvan het mannetje opvalt door twee redelijk indrukwekkende hoorns op de hoeken van zijn borstschild en een kleinere ertussenin. Bij vrouwtjes is er niet meer te zien dan twee piepkleine uitsteeksels. De hoorns zijn een schoolvoorbeeld van wat Charles Darwin 'seksuele selectie' noemde: kenmerken die bedoeld zijn om indruk te maken. Ten eerste op andere mannen, waarmee een dier in competitie moet om toegang tot vrouwtjes te krijgen, ten tweede op vrouwtjes om mee te paren. Veel van wat de natuur uitgedokterd heeft, draait niet in de eerste plaats om overleving, wel om voortplanting. Drietanden maken nestholletjes in zanderige plekken in ons landschap waar veel mestkeutels te vinden zijn, vooral van konijnen. Maar ook uitwerpselen van schapen en geiten komen in aanmerking, zodat de diertjes zelfs in tuinen voorkomen. Je vindt de kevers het best door te zoeken naar hun nestholletjes met kleine zandophopingen, want uit veiligheidsoverwegingen zijn ze overwegend 's nachts actief. In het begin van het winterhalfjaar doen drietanden niets anders dan zich zo vol mogelijk vreten, waarna ze aan hun voortplanting beginnen te denken. Vanaf februari vormen ze koppeltjes, die samen een nesthol uitgraven. Daarin verzamelen ze mestkeutels, die als voedsel zullen dienen voor hun larven. Zodra de eitjes gelegd zijn, wordt het nesthol afgesloten en sterven de ouders. De larven kunnen een à twee jaar leven van de keutels die ze in hun hol vinden, waarna ze verpoppen. In het begin van de daaropvolgende herfst graven de bijna volwassen kevers zich naar buiten. In het wetenschappelijke vakblad Science verscheen een doorwrochte maar interessante analyse van hoe de hoorns van mestkevers genetisch zijn ontstaan. Het is een ingewikkeld proces, dat begint bij de heroriëntatie van genen die normaal vleugels vormen naar de productie van hoorns. Eenmaal de hoornvorming in gang is gezet, wat ten koste gaat van de productie van extra vleugels, worden andere genen wakker, die de hoorns verder uitbouwen. Intrigerend is dat bij mestkeversoorten met één hoorn de afzonderlijke ontwikkelingen van de twee vleugelkanten naar het midden van het borstschild migreren om er één hoorn te vormen. Voor soorten met twee hoorns is die ontwikkeling helder, met een beginpunt aan beide kanten van het borstschild. Bij de schaarse soorten met vier hoorns splitsen de twee beginnende ontwikkelingen zich waarschijnlijk allebei in twee. Het blijft een evolutionair raadsel hoe de drietand aan drie hoorns komt. Ontwikkelt hij zich aanvankelijk als een viertand, waarna de twee middelste hoorns fuseren? De wetenschap is er nog niet uit. De natuur doet soms compleet onverwachte dingen. En dat is net een van de elementen die haar zo aantrekkelijk maken.