Hoewel ze amper een fractie van een millimeter groot worden, waren raderdiertjes al beschreven nog voor de eerste echte microscoop was uitgevonden. Ze zijn zo algemeen dat iemand met heel goede ogen en veel interesse in de natuur hun grootste versies wel móést opmerken. Er zijn zo'n tweeduizend soorten raderdiertjes, waarvan vele kosmopoliet zijn: ze kunnen zo goed als overal gevonden worden. Tenzij hun onderlinge verschillen zo subtiel zijn dat wij ze niet zien. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn met de analyse van wat veel kleiner is dan wijzelf.
...

Hoewel ze amper een fractie van een millimeter groot worden, waren raderdiertjes al beschreven nog voor de eerste echte microscoop was uitgevonden. Ze zijn zo algemeen dat iemand met heel goede ogen en veel interesse in de natuur hun grootste versies wel móést opmerken. Er zijn zo'n tweeduizend soorten raderdiertjes, waarvan vele kosmopoliet zijn: ze kunnen zo goed als overal gevonden worden. Tenzij hun onderlinge verschillen zo subtiel zijn dat wij ze niet zien. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn met de analyse van wat veel kleiner is dan wijzelf. Raderdiertjes zijn een essentieel onderdeel van het zoöplankton in zoet water. Ze bestaan in essentie uit een kop, een lichaam en een voet. Die laatste kan groter of kleiner zijn al naargelang de diertjes vooral een vastzittend leven leiden dan wel rondzwemmen. Ze zwemmen door regelmatige bewegingen van de haartjes of andere structuurtjes die in een krans rond de mond aan de bovenkant van de kop staan. Aan die krans hebben de diertjes hun naam te danken: hoewel de structuurtjes vastzitten, geeft hun ritmische beweging de indruk dat ze ronddraaien als een rad. Ze verzorgen behalve de verplaatsing ook de voeding van hun dragers: ze wapperen minuscule deeltjes uit het water naar de mond. De beestjes bestaan uit niet meer dan een duizendtal cellen. Een kwart daarvan zijn zenuwcellen, die ook minihersentjes vormen. Echt slim (in onze betekenis van de term) zullen ze niet zijn, maar dat belet niet dat ze uitzonderlijke overlevingsmechanismen ontwikkeld hebben. Zo hebben ze een gevarieerde seksualiteit. Sommige soorten planten zich puur maagdelijk voort: vrouwtjes leggen eitjes die niet bevrucht worden en waaruit andere vrouwtjes kruipen. Dat kan miljoenen jaren zonder problemen verlopen - deze soorten hebben geen mannetjes nodig om succesvol te zijn. Andere soorten hebben ingezet op een dubbel systeem: ongeslachtelijke voortplanting als het leven zijn gewone gangetje gaat, geslachtelijke als er problemen opduiken. In die soorten maken vrouwtjes mannetjes om hen uit de nood te helpen. Veel hoeven we ons daar niet bij voor te stellen: de mannetjes zijn een stuk kleiner dan de vrouwtjes en zijn vruchtbaar vanaf de geboorte, want ze hoeven niets anders te doen dan wat eieren bevruchten. De bevruchte eitjes kunnen in slaapmodus gaan om moeilijke periodes door te komen. Ze kunnen zo tientallen jaren blijven liggen tot de omstandigheden weer beter worden en het actieve leven opnieuw kan beginnen. De soorten die geen bevruchting kennen, beschikken over een vergelijkbaar mechanisme: daar kunnen de diertjes zelf in een diepe winterslaap gaan, die eveneens jaren kan duren. Een recent rapport in Scientific Reports beschrijft 164 genen die de overgang tussen de slapende en de actieve vorm sturen. Een vergelijkbaar verslag in Experimental Gerontology illustreert dat genen ook meebepalen hoeveel langer raderdiertjes in koudere omstandigheden overleven dan in warmere. In koude wateren leven de diertjes in een trager tempo, wat minder stofwisselingsstress geeft. Sommige mensen menen dat elke dag een koude douche nemen tot een langer leven leidt. Helaas missen wij (waarschijnlijk) de genen die dat mogelijk maken. De succesvolle innovaties van diertjes zijn niet zomaar naar onze wereld te vertalen.