De zeebes werd in 1846 als soort beschreven door de befaamde Leuvense dierkundige Pierre Joseph Van Beneden. De man was een devoot katholiek en dus een fervent tegenstander van de evolutietheorie van zijn tijdgenoot Charles Darwin. Tijdens zijn jaarlijkse vakantie in Oostende begon hij zich voor zeediertjes te interesseren. Hij richtte een marien laboratorium op - volgens sommigen het eerste in de wereld. Zo kon hij heel wat nieuwe soorten voor de wetenschap beschrijven.
...

De zeebes werd in 1846 als soort beschreven door de befaamde Leuvense dierkundige Pierre Joseph Van Beneden. De man was een devoot katholiek en dus een fervent tegenstander van de evolutietheorie van zijn tijdgenoot Charles Darwin. Tijdens zijn jaarlijkse vakantie in Oostende begon hij zich voor zeediertjes te interesseren. Hij richtte een marien laboratorium op - volgens sommigen het eerste in de wereld. Zo kon hij heel wat nieuwe soorten voor de wetenschap beschrijven. De zeebes dankt haar naam aan haar voorkomen: een afgeplatte oranjerode licht gerimpelde bol van maximaal 2 centimeter breed en 1,5 centimeter hoog die vastzit op een substraat. Het zijn eenvoudige diertjes met een op de top gelegen instroomopening die de ingang vormt van een U-vormig kanaal dat uitmondt in een uitstroomopening. Via spierbewegingen wordt er door het kanaal een waterstroom gestuwd die cruciaal is voor de diertjes. Ze filteren er planktondeeltjes uit voor hun voeding en lozen er afvalstoffen in. Zeebessen behoren tot de zakpijpen, die hun misschien wat oneerbiedige naam te danken hebben aan het doedelzakachtige voorkomen van nogal wat soorten. De diertjes zitten letterlijk in een zak waar twee buisjes uitsteken. Sommige zakpijpen zijn koloniaal; andere, zoals de zeebes, leven in principe solitair maar kunnen ook in groep voorkomen. Je mag ze als verre verwanten van de mens beschouwen, want hun larven hebben een chorda: een soort eenvoudige ruggengraat zoals onze prille embryo's er ook een hebben. De diertjes ademen via kieuwen en hebben geen hersenen. Onze verste voorouders hielden het graag eenvoudig. Veel zakpijpen zijn hermafrodiet (tegelijk man en vrouw), maar ze bevruchten zichzelf niet, want dat is biologisch gesproken risicovol: extreme inteelt! De zaadcellen zoeken hun weg naar eitjes van andere dieren. Ze gebruiken daarvoor, zoals onze zaadcellen, chemische stoffen. Het vakblad Scientific Reports beschreef onlangs een speciaal eiwit op de wand van de staart van zaadcelletjes van de zeebes. Het is gevoelig voor lokstoffen van eitjes, waarbij het de staartbewegingen zo aanstuurt dat ze in de richting van een eitje manoeuvreren. De stof zou er ook mee voor zorgen dat een zaadcel geen eitje van een verkeerde soort bevrucht. Zaadje en eitje moeten een match vinden voor ze samensmelten - anders zou er te veel mislopen in de voortplanting. De larven met hun chorda zien eruit als kikkervisjes. Ze blijven een tijdje in de moeder zitten. Ze hebben geen mond en geen spijsverteringsstelsel, dus ze kunnen zich niet voeden. Als ze bijna volgroeid zijn, verlaten ze het moederlichaam. Na maximaal enkele dagen worden ze een jonge zakpijp. Die hecht zich vast aan een substraat om daarop de rest van haar dagen een zittend leven te leiden. Soorten als de zeebes zijn talrijk in de Noordzee, maar omdat ze zich ter bescherming vaak onder of aan de zijkant van stenen vestigen, zijn ze niet altijd gemakkelijk te vinden. Er worden tegenwoordig geregeld nieuwe zakpijpen in onze kustwateren ontdekt, zoals recent de zeeabrikoos, zo genoemd omdat haar kleur aan een jonge abrikoos doet denken. Er komen ook exotische soorten in onze regionen aan, en dat is niet per definitie goed nieuws.