Net als je denkt dat, als het over parasitisme gaat, niets je nog kan verbazen, duikt er toch weer ergens een beestje op dat nóg sterker kan. Als er daadwerkelijk een Schepper is geweest, moet die een perfide geest hebben gehad, gezien de talloze wrede voortplantingsstrategieën die hij bedacht.
...

Net als je denkt dat, als het over parasitisme gaat, niets je nog kan verbazen, duikt er toch weer ergens een beestje op dat nóg sterker kan. Als er daadwerkelijk een Schepper is geweest, moet die een perfide geest hebben gehad, gezien de talloze wrede voortplantingsstrategieën die hij bedacht. Neem nu de waaiertjes, een familie van piepkleine insecten die parasiteren op vooral bijen en wespen. De vrouwtjes staan niet bekend om hun schoonheid. Het zijn madeachtige mormels van maximaal een centimeter. Ze hebben geen poten, geen vleugels, en hun monddelen zijn zo rudimentair dat ze er niks mee kunnen doen. Hun energie halen ze uit stoffen van hun slachtoffer, die via de huid in hun lijf terechtkomen. Wat ze wel doen is feromonen uitsturen, chemische stoffen om mannetjes te lokken. Hun kopborststuk - een vergroeiing van kop en borst - steekt uit het achterlijf van de bij of wesp die hun gastheer is (gastvrouw zou beter zijn, want de meeste bijen en wespen zijn vrouwtjes), zodat de lokstoffen gemakkelijk verspreid raken. Mannetjes zien er wel uit als volwassen insecten, met twee waaiervormige vleugels waaraan de familie haar naam dankt. Ze zijn maar enkele millimeters groot en leven maar een paar uur, voldoende om een vrouwtje te vinden en te bevruchten. Paren gebeurt zonder gedoe. Een mannetje ramt zijn penis zomaar in het kopborststuk van een vrouwtje - waar hij erdoorheen raakt, is om het even: 'traumatische penetratie' heet dat. Zijn zaadcellen vinden vanzelf hun weg naar de eitjes. Na de bevruchting sluipen larven uit de eitjes. Er kunnen er honderden, volgens sommige experts zelfs duizenden tegelijk in een vrouwtjeswaaiertjeslijf krioelen. De larfjes zijn een fractie van een millimeter groot. Ze kruipen na verloop van tijd uit het kopborststuk van de moeder op een bloem, als het diertje waarin ze huizen erop landt. Daar wachten ze op een volgende passant die hen, in het beste geval, meeneemt naar zijn nest. In dat nest kruipen ze in een larve van de gastfamilie. Daarin groeien ze. Als de gastheerlarve verpopt tot een volwassen bij of wesp, vervellen de parasietjes een laatste keer. Daarna steken ze hun kop uit het lichaam van hun slachtoffer als ze een vrouwtje zijn, of wurmen ze zich helemaal naar buiten als ze een mannetje zijn. Dan begint de volgende cyclus. Het lijkt een veel te ingewikkelde strategie om succesvol te zijn, maar in feite weet niemand hoe algemeen waaiertjes zijn. Door hun kleine afmetingen en verborgen levenswijze vallen ze niet op. Het is evenmin duidelijk hoe selectief ze zijn: vallen ze altijd voor dezelfde bijen- of wespensoort, of kunnen ze meerdere soorten aan? Een studie in Entomologische Berichten beschrijft eenentwintig soorten waaiertjes voor Nederland - de identificatie werd gedaan met DNA-analyses. Vroeger dacht men dat er maar vijf waren. Op de waarnemingensite van Natuurpunt staan voor Vlaanderen vijftien soorten geregistreerd. Bizar is dat er in de tropen primitieve waaiervleugeligen bestaan, waarvan de vrouwtjes vrij leven en vleugels hebben. Ze zouden dus later in de evolutie gedegenereerd zijn tot parasieten. Of misschien is het de ultieme specialisatie, en zijn ze succesvoller als parasiet dan ze vroeger waren. Zeker zullen we dat helaas nooit weten.