Zijn Latijnse geslachtsnaam, Lanius, verraadt het al: 'slachter'. De klapekster ziet er lieflijk uit, maar zijn jachttechniek zouden wij als wreed omschrijven. Hij is een echte jager, op kleine vogels en grote insecten, op muizen en kikkers. Hij is niet groter dan een slanke merel en heeft geen klauwen, maar de haak op zijn bek zou stevig genoeg zijn om in één klap door de schedel van een klein slachtoffer te kunnen slaan.
...

Zijn Latijnse geslachtsnaam, Lanius, verraadt het al: 'slachter'. De klapekster ziet er lieflijk uit, maar zijn jachttechniek zouden wij als wreed omschrijven. Hij is een echte jager, op kleine vogels en grote insecten, op muizen en kikkers. Hij is niet groter dan een slanke merel en heeft geen klauwen, maar de haak op zijn bek zou stevig genoeg zijn om in één klap door de schedel van een klein slachtoffer te kunnen slaan. Een klapekster kan prooien vangen die een stuk groter zijn dan hijzelf, tot zelfs jonge wezels toe. Een studie in het vakblad Biology Letters beschrijft hoe de vogel dat doet. Hij zou zijn krachtige bek rond de nek van een slachtoffer slaan en dan intense draaibewegingen maken, waardoor de nek breekt. Om het nog wreder te maken - naar onze normen toch - heeft de klapekster de gewoonte om prooien op doornen of prikkeldraad te spietsen. Zo compenseert hij voor het feit dat zijn poten te fragiel zijn om een prooi open te scheuren. Met zijn sterke kop trekt hij de gespietste prooi aan flarden. In goede tijden kan hij een voorraadje opgeprikte slachtoffers aanleggen, maar in de natuur moet je altijd op je hoede zijn voor mee-eters, kleine en grote, dus erg lang kan hij er niet op teren. In het begin van het broedseizoen etaleren mannetjes soms een voorraadje prooien om indruk te maken op vrouwtjes. Voedsel voor seks: het is een klassieker in de natuur. De klapekster is een fraaie vogel. Waar zijn naam vandaan komt, is onduidelijk, want hij is maar een verre verwant van de ekster. Vroeger heette hij blauwe klauwier, wat meer aansluit bij de biologische realiteit: hij behoort tot het klauwierengeslacht. Met zijn vele tinten grijs is hij een pareltje. Alleen het zwarte oogmasker past bij de wrede overlevingstechniek die wij hem toeschrijven. Een halve eeuw geleden broedden er her en der nog klapeksters in Vlaanderen, maar ze zijn verdwenen - het laatste broedgeval dateert van 1996. In Wallonië zijn er wel nog broedvogels, mogelijk zelfs enkele honderden. De hoop bestaat dat de Waalse populatie als bron zal fungeren voor nieuwe broedgevallen in Vlaanderen. Het wel en wee van de soort bij ons is een aantal jaren geleden uitvoerig beschreven door vogelexpert Gerald Driessens van Natuurpunt in het blad Natuur.oriolus. De klapekster is in Vlaanderen een schaarse overwinteraar, vooral in open gebieden. Er zijn aanwijzingen dat het aantal overwinterende vogels toeneemt. Dat zou onder meer te maken hebben met een stijgend broedsucces in Scandinavië, waar de meeste van onze overwinteraars vandaan komen. Dat wij de soort als broedvogel verloren hebben, is een gevolg van veranderende landbouwmethodes (groeiende grootschaligheid) en overdadig pesticidegebruik. Daardoor is het aantal grote insecten beduidend afgenomen en blijft er minder eten over voor de klapekster. De hoge bemestingsgraad in de landbouw besmet ook natuurgebieden, waar meer ruige grassen groeien. De klapekster, die graag jaagt vanaf een uitkijkpost boven op een struik, kan prooien nu niet meer zo goed zien. Doordacht natuurbeheer kan bepaalde plekken opnieuw geschikter maken voor de soort. Klapeksters zijn dikwijls honkvast in hun wintergebied, maar ze vliegen veel. Op een doorsneedag kunnen ze 12 kilometer afleggen.