Er zijn bijna geen giftige zoogdieren. Het vogelbekdier uit Australië, enkele loriaapjes uit het zuiden van Azië, een paar vampiervleermuizen uit Zuid-Amerika: dat lijkt het te zijn. Maar ook bij ons is er eentje: de waterspitsmuis. (Zeg overigens nooit 'muis' tegen een spitsmuis, want muizen zijn knaagdieren en spitsmuizen insecteneters. Beide groepen lijken wel op elkaar, maar ze zijn zelfs geen naaste familie.)
...

Er zijn bijna geen giftige zoogdieren. Het vogelbekdier uit Australië, enkele loriaapjes uit het zuiden van Azië, een paar vampiervleermuizen uit Zuid-Amerika: dat lijkt het te zijn. Maar ook bij ons is er eentje: de waterspitsmuis. (Zeg overigens nooit 'muis' tegen een spitsmuis, want muizen zijn knaagdieren en spitsmuizen insecteneters. Beide groepen lijken wel op elkaar, maar ze zijn zelfs geen naaste familie.) De waterspitsmuis is sowieso al een apart diertje, want ze gaat haar voedsel onder water halen. Ze loopt er letterlijk de kantjes af. Ze leeft op de oevers van grachten en beken. Ze duikt het water in om naar voedsel te zoeken. Ze kan vrij goed zwemmen en gebruikt haar staart als een kiel voor stabiliteit, dankzij een rij stevige borstelharen aan haar onderkant. Ze heeft een waterafstotende vacht, zodat ze ook in koud water aan de slag kan. En ze kan 20 seconden onder water blijven: lang is dat niet, dus ze moet efficiënt jagen. Al naargelang de hoeveelheid voedsel in het water heeft de waterspitsmuis tussen de 30 en de 150 meter oever nodig. Omdat de mens niet vriendelijk is omgegaan met zijn waterrijke biotopen, hebben veel waterdieren het moeilijk: dat is voor de waterspitsmuis niet anders. De soort is zeldzaam geworden in Vlaanderen. Ze is groot voor een spitsmuis en donker gekleurd - van bovenuit ziet ze er wat als een mol uit, maar dan met een langere snuit en een lange staart. De waterspitsmuis moet elke dag de helft van haar lichaamsgewicht aan voedsel vergaren. Ook daarom moet ze efficiënt te werk gaan. De ontwikkeling van een (licht) gif in haar speeksel kan daarbij helpen. Wetenschappers hebben het gif van de waterspitsmuis onder de loep genomen - de resultaten verschenen in Frontiers in Zoology. Het heeft vooral een verlammend effect op prooien: het vermindert de elektrische geleidbaarheid van hun zenuwen en de kracht van hun spiercontracties. Er is ook een effect op het hart, maar dat zou verwaarloosbaar zijn. Het lijkt erop dat het gif niet (alleen) moet dienen om vrij grote prooien aan te vallen. De waterspitsmuis kan zelfs kikkers aan die groter zijn dan zijzelf, hoewel haar dieet toch vooral uit insectenlarven en slakken bestaat. Ze bijt meestal in een kikkerpoot om het gif zijn werk te laten doen. Waarschijnlijk is het verlammende gif vooral nodig om prooien een tijdje levend te kunnen bewaren. Waterspitsmuizen houden er een voorraadkamertje op na, voor wanneer ze even niet aan voldoende vers vlees raken. Als de prooien na verloop van tijd toch dood zijn gegaan, en ze niets nieuws gevonden heeft, zal een waterspitsmuis zonder schromen de kadavers verorberen. Haar kernboodschap is: je moet blijven eten. In een recente studie in Journal of Mammalogy vergelijken wetenschappers het voedingsgedrag van de waterspitsmuis met dat van de sterk verwante maar kleinere bosspitsmuis, die geen gif heeft. Het gif heeft als voordeel dat de soort wat de prooigrootte betreft toch boven haar gewichtscategorie kan spelen. Dan kun je natuurlijk de vraag stellen: waarom heeft ook de bosspitsmuis geen gif ontwikkeld? Maar de vreemde kronkels van de evolutie van het leven zijn niet altijd te verklaren. Misschien ís er ook geen verklaring voor. Je mag de rol van toeval in het bestaan nooit onderschatten.