Er leven ongeveer vijftig soorten dagvlinders in Vlaanderen. Dat is weinig. 's Nachts is de vlinderwereld véél diverser: bij ons zijn er zo'n tweeduizend nachtvlindersoorten (in de volksmond een beetje denigrerend 'motten' geheten). Een grote soortendiversiteit impliceert uiteraard een grote verscheidenheid in fysieke verschijningsvorm en gedrag. Twee willekeurige voorbeelden, waarop recent de aandacht werd gevestigd door vlinderexpert Wim Veraghtert van Natuurpunt, illustreren dat.
...

Er leven ongeveer vijftig soorten dagvlinders in Vlaanderen. Dat is weinig. 's Nachts is de vlinderwereld véél diverser: bij ons zijn er zo'n tweeduizend nachtvlindersoorten (in de volksmond een beetje denigrerend 'motten' geheten). Een grote soortendiversiteit impliceert uiteraard een grote verscheidenheid in fysieke verschijningsvorm en gedrag. Twee willekeurige voorbeelden, waarop recent de aandacht werd gevestigd door vlinderexpert Wim Veraghtert van Natuurpunt, illustreren dat. Het eerste is de diana-uil, een prachtig gekleurde nachtvlinder die vooral in de herfst vliegt. Het dier valt op door zijn vele tinten groen in ingewikkelde patronen. Je kunt je afvragen waarom een nachtvlinder zo mooi gekleurd moet zijn. Maar dieren zien de dingen anders dan wij, dus misschien reflecteert het kleurenpatroon dat wij zien voor de vlinders andere elementen die nuttig zijn voor de organisatie van hun nachtleven. Nachtvlinders die in het najaar vliegen, hebben dikwijls typische herfstkleuren - geel, oranje en bruin - als camouflagemiddel. Dat gaat niet op voor de diana-uil met zijn frisgroene lentekleuren. Hij lijkt zich van seizoen te vergissen. Het vergroot het raadsel rond het dier. De diana-uil is een vlinder van eikenbossen, want de rupsen leven bijna uitsluitend op eiken. Hij lijkt plaatselijk in aantal toe te nemen, maar niet in verspreiding. Op de plekken waar hij voorkomt, groeit zijn populatie, maar dat vertaalt zich niet in het koloniseren van nieuwe gebieden. Ook dat is wat raadselachtig. Er is zo veel wat we niet weten over de dierenwereld. Een verhaal van een andere orde is dat van de grauwe stofuil. Zijn naam is perfect gekozen, want hij heeft een onopvallend, grijzig voorkomen. Hij is een vlinder van de late lente. De rupsen voeden zich met een breed gamma aan algemene planten. Intrigerend is dat de stofuil zich snel verspreidt in ons land, maar sprongsgewijs. Hij zou voor zijn verplaatsingen gebruikmaken van de trein en wordt bijgevolg vooral in stedelijke omgevingen gezien: vanaf het jaar 2011 in volgorde in Hasselt, Mechelen, Antwerpen, Gent en Brugge. Brussel lijkt hij voorlopig te mijden - hij is er in ieder geval nog niet gevonden. De grauwe stofuil is in oorsprong een dier van rotspartijen op berghellingen in de Alpen. Hij is via Duitsland in onze contreien terechtkomen en ook al in Nederland en Frankrijk gespot. Hij is lang niet de enige soort die een rotsachtige biotoop inruilt voor een stadsalternatief. In de vogelwereld hebben de zwarte roodstaart en de slechtvalk vergelijkbare bewegingen gemaakt. Steden hebben vaak een wat warmer microklimaat dan het omringende platteland en zijn daardoor aantrekkelijker voor sommige soorten. Stilaan worden er ook grauwe stofuilen buiten de steden aangetroffen, langs belangrijke spoorlijnen, zoals in de gemeentes Boechout (Antwerpen) en Zemst (Vlaams-Brabant). De soort lijkt dus een blijver te zijn. Weer een mot meer voor onze fauna - met dank aan de trein, ook voor vlinders een klimaatvriendelijk vervoersmiddel.